AIV-advies 78 Europese Defensiesamenwerking: soevereiniteit en handelingsvermogen

11 februari 2012

Op maandag 13 februari zal de Adviesraad Internationale Veiligheidsvraagstukken het advies over Europese defensiesamenwerking aanbieden aan minister van Defensie Hillen. Het advies in nu al openbaar. Onderstaand de conclusies en aanbevelingen; het gehele advies is te downloaden op AIV-advies 78.

Het advies geeft een goed overzicht van de mogelijkheden voor verdergaande militaire samenwerking met de ons omringende landen en van de politieke keuzes die moeten worden gemaakt met betrekking tot de ondergrens van datgene wat Nederland als souvereine staat zélf nog wil kunnen op militair gebied en waar Nederland zich afhankelijk van anderen wil opstellen. Het BeNeSam is op dit moment de meest vergaande militaire samenwerking en zou als voorbeeld kunnen dienen voor andere projecten.

De AIV waarschuwt dat kostenbesparingen als gevolg van bi- en multilaterale samenwerking niet de weg vrijmaken voor nieuwe bezuinigingen op het Nederlandse defensiebudget. Het realiseren van besparingen is een proces waarbij de kost (investeren) voor de baat uitgaat en vertrouwen tussen de samenwerkingspartners essentieel is. Kostenbesparingen zullen hard nodig zijn om bestaande operationele tekortkomingen op te heffen en een adaptieve, innovatieve krijgsmacht in stand te houden. Dit is eens te meer van belang nu Europa in de toekomst meer en meer op zijn eigen (militaire) benen zal moeten staan en ook van Nederland een evenredige bijdrage aan de Europese defensie zal worden verwacht.

Een advies en tevens waarschuwing waarin de FVNO|MHB zich geheel kan vinden. De Adviesraad probeert met dit advies ook aan te dringen op het beantwoorden van tenminste één van de 5 strategische vragen voor de politiek, zoals die op pagina 299 van het 'Eindrapport Verkenningen, Houvast voor de krijgsmacht van de toekomst' staan geformuleerd:

1. Welke militaire bijdrage wil Nederland in internationationaal verband en ten opzichte van andere landen leveren? Wat willen we in de wereld betekenen? Voor welke belangen en waarden staan we pal? Wie zijn we?
2. Welke defensieinspanning is nodig of wenselijk in het licht van de omgevingsanalyse van de Verkenningen? Hoe gaan we om met de fundamentele onzekerheid over toekomstige ontwikkelingen?
3. Welke balans moet worden getroffen tussen de bescherming en zo nodig verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied en het optreden bij de bron van bedreigingen van onze veiligheid (al dan niet ter bevordering van de internationale rechtsorde)?
4. Welke bijdrage moet de krijgsmacht binnen de landsgrenzen leveren aan de veiligheid van onze samenleving in het licht van de groeiende kwetsbaarheid voor maatschappelijke ontwrichting?
5. Welke afhankelijkheden van andere landen kan Nederland op veiligheids- en defensiegebeid aanvaarden? Tot welk punt willen we onze autonomie behouden?


Bent u lid van de FVNO|MHB (of via NOV, KVMO aangesloten bij de FVNO|MHB) dan kunt u op het besloten sociale netwerk van de Professionals bij Defensie meediscussieren over dit rapport. Ga naar het ProDef-netwerk.

   AIV-advies 78 Europese Defensiesamenwerking: soevereiniteit en handelingsvermogen

Conclusies en aanbevelingen

De AIV beklemtoont dat de noodzaak tot Europese defensiesamenwerking sterker is dan ooit. Door de nieuwe ronde van forse bezuinigingen op de defensie-uitgaven in talrijke Europese landen dreigen andermaal belangrijke militaire vermogens verloren te gaan. Tegelijk heeft ook de NAVO-operatie in Libië aangetoond dat in Europa nog essentiële militaire tekortkomingen bestaan. Deze tekortkomingen betreffen onder meer het vermogen vijandelijke doelen op te sporen en deze met grote nauwkeurigheid uit te schakelen alsmede het vermogen eigen gevechtsvliegtuigen tijdens de vlucht van brandstof te voorzien. ‘Libië’ heeft in dit verband laten zien hoe afhankelijk Europa nog steeds van de Verenigde Staten is. De AIV ziet deze afhankelijkheid als een probleem, nu de Verenigde Staten zich meer en meer op Azië lijken te richten, en ervan uitgaan dat Europa meer op zijn eigen benen zal staan. Het is minder vanzelfsprekend dat de Verenigde Staten in de toekomst Europese landen militair zullen bijstaan in crisissituaties op of nabij het Europese continent, die niet vallen onder Artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag, wanneer Amerikaanse belangen niet of alleen zijdelings in het geding zijn. Om die reden moeten de Europese landen ernst maken met een vergroting van de doelmatigheid en effectiviteit van hun militaire inspanningen. Daartoe is ook alle aanleiding omdat hun gezamenlijke defensie-output in termen van de capaciteit om in conflictgebieden buiten Europa met een aanzienlijke troepenmacht op te treden tekortschiet.

Het rendement van de Europese defensie-euro, afgezet tegen de totale Europese defensieuitgaven, is naar het oordeel van de AIV te laag. Europese krijgsmachten beschikken over onvoldoende snel inzetbare gevechtskracht, terwijl de overheaduitgaven relatief hoog zijn. Uit vergelijkend onderzoek van McKinsey & Company naar de zogeheten tooth-to-tailratio van 33 krijgsmachten blijkt overigens dat de Nederlandse krijgsmacht wat betreft doelmatigheid beter presteert dan de meeste Europese bondgenoten.1 Aangezien een (substantiële) verhoging van de defensiebegrotingen in de nabije toekomst niet te verwachten is, rest er maar één alternatief: het zoveel mogelijk uitbannen van militaire overschotten in Europees verband, de gezamenlijke aankoop en onderhoud van materieel, het opzetten van gezamenlijke opleidingen en trainingen, het bundelen en delen met andere landen van bestaande militaire vermogens om het gebruik daarvan te optimaliseren (pooling en sharing) en tevens de uitruil en verdeling van capaciteiten in het kader van militair-operationele samenwerking (specialisatie). Alleen langs deze weg kunnen de schadelijke effecten van de lopende bezuinigingen worden beperkt en middelen worden vrijgemaakt om kritieke hiaten in de Europese defensiecapaciteit op te vullen. Gebeurt dit niet, dan wordt de geloofwaardigheid van de Nederlandse en Europese ambities om een betekenisvolle rol op en nabij het Europese continent te spelen (verder) aangetast. De AIV beseft overigens dat zolang de verantwoordelijkheid voor defensie primair een nationale aangelegenheid blijft, er ‘rode lijnen’ zijn ten aanzien van de mate waarin men de Europese defensie kan rationaliseren en verbeteren. Een gemeenschappelijke Europese defensie blijft een vage stip op een verre horizon, althans zolang de Europese landen in het buitenlands beleid onvoldoende eensgezindheid ten toon spreiden. Geen gemeenschappelijke defensie zonder een gemeenschappelijke buitenlandse politiek.

Voor Nederland in het bijzonder geldt dat, gezien de huidige omvang van de krijgsmacht, de praktische betekenis en daarmee de maatschappelijke rechtvaardiging van de defensieinspanning die ons land levert meer dan ooit verbonden is met het benutten van kansen op internationale samenwerking, speciaal met zijn Europese partners. Met andere woorden, de positie van de Nederlandse krijgsmacht als zelfstandige organisatie wordt in belangrijke mate bepaald door haar waarde in samenwerkingsverbanden met andere landen. Deze gedachte vormt de leidraad bij onderstaande beleidsaanbevelingen voor een samenhangende aanpak van de uitbreiding en verdere verdieping van de Europese defensiesamenwerking.

Kader defensiesamenwerking: implicaties voor de nationale soevereiniteit
De regering is allereerst geïnteresseerd in de vraag hoe verschillende vormen van defensiesamenwerking zich verhouden tot de nationale soevereiniteit van betrokken landen. De AIV constateert dat in de hedendaagse opvattingen over het begrip soevereiniteit veel minder nadruk ligt op een strikt juridische benadering van het behoud van de exclusieve beslissingsbevoegdheid van de staat – de vrijheid om te handelen – en veel meer op het vermogen van de staat handelend op te treden door effectief samen te werken in internationale fora en met gezag te participeren in internationale verbanden. Voor Nederland betekent dit dat alleen door participatie in bi- en multilaterale formaties en door gestructureerde Europese samenwerking internationale invloed en militaire effectiviteit behouden kunnen blijven. Zo bezien is het belang van gedeelde Europese soevereiniteit in werkelijkheid groter dan dat van de (ongedeelde) nationale soevereiniteit. De AIV concludeert vervolgens dat de vrijheid om te handelen, ofwel de soevereiniteit in de traditionele zin, alleen beperkt wordt bij bepaalde vormen van operationele samenwerking en bij rol- en taakspecialisatie. Een zorgvuldige afweging bij de keuze van landen waarmee en de condities waaronder een nauwe operationele samenwerking of een vorm van specialisatie wordt aangegaan, is in die gevallen vereist.

Bi- en multilaterale defensiesamenwerking brengt, naast belangrijke voordelen, ook verplichtingen en afhankelijkheden met zich mee. Zo schept het onderbrengen van nationale defensiecapaciteiten in een multinationale pool verplichtingen tegenover de partners voor de instandhouding en het onderhoud van die capaciteit. Ook zijn er beperkingen wat betreft de vrije beschikking over de eigen capaciteit in een multinationale pool. Deze beperkingen kunnen overigens worden ondervangen met een afspraak over het principe van een ‘rodekaarthouder’, dat een land de mogelijkheid geeft bij hoge uitzondering eigen capaciteit op te eisen voor nationale operaties. Een dergelijke afspraak is bijvoorbeeld bij de oprichting van het EATC overeengekomen.

Dankzij de pooling van schaarse luchttransportcapaciteit in het EATC en de deelname aan het SAC/C-17-initiatief heeft Nederland zijn afhankelijkheid van externe inhuur van luchttransportcapaciteit voor de verplaatsing van militair materieel van en naar operatiegebieden verminderd. Pooling en sharing van capaciteiten versterkt het gezamenlijk militair vermogen met behoud van de autonome beschikkingsmacht over de inzet van de eigen krijgsmacht voor ieder deelnemend land en vergroot derhalve de mogelijkheden van landen om desgewenst aan een militaire operatie deel te nemen.

Bij geïntegreerde operationele samenwerking neemt de wederzijdse afhankelijkheid tussen samenwerkingspartners sterk toe, omdat het succes hiervan staat of valt met een gezamenlijke positiebepaling over de politieke wenselijkheid en militaire mogelijkheid van gezamenlijke inzet in een gegeven situatie. Tegelijkertijd zijn er ook grote voordelen bij deze vorm van samenwerking, zeker wanneer de partners beschikken over gelijksoortig materieel. Hoewel bij de totstandkoming van een verdrag inzake geïntegreerde operationele samenwerking een ultieme ontsnappingsclausule kan worden ingebouwd, zal in praktijk de keuzevrijheid van de deelnemende partners worden ingeperkt. Bij de afweging van de keuze van landen waarmee een geïntegreerde operationele samenwerking wordt nagestreefd, gelden de volgende aandachtspunten:

• het politiek besluitvormingsproces en de rol van het parlement;
• de strategische cultuur in de zin van de gegroeide opvattingen in een land rond de inzet van het militaire instrument om veiligheidsdoelstellingen te realiseren;
• de politieke bereidheid om risico’s te delen;
• het risicoprofiel bij inzet dat – naast de aard van de missie – vooral wordt bepaald door het domein van inzet (grondgebonden-, lucht- of maritiem optreden) en het niveau waarop de inzet plaatsvindt. Grondgebonden inzet op laag tactisch niveau heeft het hoogste risicoprofiel.

De meest vergaande vorm van afhankelijkheid tussen samenwerkingspartners doet zich voor bij rol- en taakspecialisatie. De AIV is van mening dat op deze optie geen taboe mag rusten, maar vindt tegelijk dat, alvorens Nederland zich aan bedoelde specialisatie verbindt, door bi- of multilaterale afspraken, aan twee voorwaarden moet zijn voldaan: een overeenkomstige strategische cultuur en ruime operationele ervaring met de beoogde partner(s). Ook zal een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt tussen de voordelen van specialisatie en onderlinge verdeling van taken en het mogelijke nadeel van inperking van de nationale autonomie of ‘vrijheid om te handelen’. De AIV wijst in dit verband op de mogelijkheid om samen met België nadere afspraken te maken over een verdeling van de kustwachttaken, mijnenbestrijding en de beveiliging van het luchtruim tussen beide landen. In dit geval treedt naar het oordeel van de AIV geen onaanvaardbaar soevereiniteitsverlies op.

De AIV roept in herinnering dat de veiligheid van Nederland in het verleden – tijdens de Koude Oorlog – sterk afhankelijk was van beslissingen die door de Amerikaanse regering werden genomen. De Verenigde Staten waren immers de strategische garantiemacht van Europa. De angst in ons werelddeel was eerder door de Amerikanen in de steek te worden gelaten (abandonment) dan door de Amerikanen tegen wil en dank in een gewapend conflict te worden meegesleurd (entrapment).2 Om Europa te verdedigen riskeerden de Verenigde Staten immers de (nucleaire) vernietiging van de eigen bevolking. Op de Amerikaanse beslissingen, met name die het mogelijk gebruik van kernwapens betroffen, had Nederland (evenals de andere bondgenoten) maar weinig invloed. De Nederlandse troepen die aan de NAVO waren toegewezen bleven in vredestijd weliswaar onder nationaal gezag staan, maar de beslissing om ze bij toepassing van Artikel 5 volledig onder NAVO-bevel te plaatsen zou in het geval van een vijandelijke verrassingsaanval geheel door de omstandigheden zijn afgedwongen. Vanaf het moment dat Nederland ging deelnemen aan de geïntegreerde verdediging van het Atlantisch bondgenootschap was voorzienbaar dat de Nederlandse soevereiniteit, niet formeel maar wel feitelijk, door de afhankelijkheid van de Verenigde Staten aanzienlijk zou worden beperkt.

De veiligheidscontext waarin het vraagstuk van de soevereiniteit thans moet worden geplaatst is echter grondig veranderd. De semi-automatische bijstandsverplichting uit hoofde van Artikel 5 is in de schaduw komen te staan van de vrijwillige deelname aan zogeheten niet-Artikel 5 crisisbeheersingsoperaties buiten het NAVO-verdragsgebied, terwijl de vrees voor entrapment in de plaats is gekomen voor de vrees voor abandonment. Wat ook is veranderd is de assertieve opstelling die de Tweede Kamer is gaan betrekken ten aanzien van alle kwesties die te maken hebben met de uitzending van Nederlandse militairen. Dit heeft onder meer geresulteerd in een Toetsingskader voor deelneming van Nederlandse militaire eenheden aan internationale crisisbeheersingsoperaties.3 Ook in veel andere Europese landen is er sprake van een toenemende parlementaire betrokkenheid bij de uitzending van militairen. Deze nieuwe werkelijkheid heeft geleid tot een voorlopige markering van de grenzen van internationale defensiesamenwerking: de meeste Europese landen wensen de mogelijkheid te behouden om eenheden of onderdelen die betrokken zijn bij samenwerkingsconstructies als zelfstandige modules in te zetten bij internationale operaties, ongeacht de vraag of de landen waarmee ze nauw samenwerken aan dergelijke operaties meedoen. Een goed voorbeeld daarvan is de maritieme samenwerking tussen Nederland en België in het operationeel hoofdkwartier Admiraal Benelux, die beide landen in staat stelt geheel zelfstandig mee te doen aan internationale militaire operaties.

Denkbaar is dat in de toekomst samenwerkingspartners desondanks zo afhankelijk worden van elkaars militaire vermogens, dat zij niet effectief kunnen deelnemen aan militaire operaties zonder actieve medewerking van deze partners. In dat geval dreigt naar het oordeel van de AIV eerder het gevaar van verlamming doordat bepaalde landen zouden besluiten afzijdig te blijven van een voorgestelde missie, dan het gevaar van het verlies van nationale soevereiniteit in de zin van beschikkingsmacht. In de intergouvernementele besluitvorming, die kenmerkend is voor zowel de NAVO als de EU, kunnen lidstaten immers niet worden gedwongen mee te werken aan de uitvoering van eventuele meerderheidsbesluiten. Ook feitelijk is het moeilijk voorstelbaar dat kritische en waakzame nationale parlementen, zoals het Nederlandse, zullen instemmen met deelname aan militaire operaties, louter omdat andere landen afhankelijk zijn geworden van de militaire vermogens van ons land en mogelijk politieke druk uitoefenen om die beschikbaar te krijgen. Dit geldt in het bijzonder wanneer sprake is van risicovol, grondgebonden militair optreden op laag tactisch niveau. Daar worden de gevaren voor militairen immers het meest manifest. Voor nationale parlementen zijn de risico’s die militairen lopen bij gezamenlijke inzet met militairen van een ander land veelal bepalend om al dan niet in te stemmen met een missie.

Lessen uit internationale programma’s en processen
Na de Koude Oorlog hebben de NAVO en de EU een transformatie in de richting van expeditionair optreden ingezet. De programma’s inzake capaciteitensamenwerking die vanuit de NAVO en EU zijn opgezet, hebben echter tot dusver slechts beperkte resultaten opgeleverd. Het potentieel voor verdere samenwerking is dan ook bijlange na nog niet benut. Gevestigde nationale belangen, vooral verschanst in de nationale defensie-industrieën, en verschillen in politiek-strategische cultuur blijken belangrijke hinderpalen te zijn om dit potentieel ten volle te benutten. Wat de NAVO betreft heeft de capaciteitensamenwerking zich vooral gericht op het gezamenlijk leasen en poolen van strategisch lucht- en zeetransport en op logistieke ondersteuning van operaties buiten het verdragsgebied. Het NAVO-agentschap voor gezamenlijk onderhoud en bevoorrading (NAMSA) heeft bijgedragen aan substantiële besparingen door de logistieke ondersteuning van expeditionaire operaties voor deelnemende landen zoveel mogelijk in één hand te houden. Binnen het raamwerk van de EU opereert het Europees Defensie Agentschap (EDA) als aanjager van gezamenlijke programma’s en projecten. Binnen het EDA is een reeks van kleinere projecten uitgevoerd. Het meest tastbare resultaat is een gezamenlijk trainingsprogramma voor helikopterpiloten, dat overigens in samenspraak met de NAVO is opgezet. Maar mede als gevolg van het bescheiden budget is het agentschap vooralsnog niet in staat gebleken echte doorbraken in militaire capaciteitensamenwerking te bewerkstelligen. Helaas verschillen de EU-lidstaten van mening over de mate van sturing die bij het EDA past.

De weg naar verdieping van defensiesamenwerking blijkt in de praktijk tevens te lopen via regionale samenwerkingsverbanden of clusters van gelijkgezinde landen. Dit geldt zowel voor de samenwerking tussen bijvoorbeeld de Scandinavische landen (in Nordefco) als bijvoorbeeld voor de samenwerking van Nederland met België/Luxemburg en Duitsland. De clusterbenadering kent evenwel ook haar beperkingen en nadelen. Een evidente beperking is dat gewenste verdieping van de samenwerking op het gebied van strategische inlichtingen, communicatie en bevelvoering buiten het handelingsbereik van clusters vallen. Een dergelijke verdieping kan alleen in NAVO- en EU-verband gestalte krijgen. Een nadeel van de clusterbenadering is ook het risico van ontkoppeling tussen deze samenwerkingsprogramma’s en de reële capaciteitenbehoeften van alle Europese landen tezamen. Op bepaalde terreinen bestaan immers Europese overschotten, terwijl op andere juist grote tekorten bestaan.

De AIV is van mening dat een duidelijke identificatie van tekorten in Europese capaciteiten en een gezamenlijke prioritering op basis van die tekorten bij de besteding van financiële middelen van NAVO- en EU-lidstaten nodig zijn om de bestaande onevenwichtige configuratie van militaire vermogens te redresseren. Aan deze gezamenlijke prioritering heeft het ook ontbroken bij de invulling van de bezuinigingsplannen die Europese regeringen, waaronder de Nederlandse, onlangs hebben opgesteld. De uiteenlopende timing van deze nationale plannen vormde daarbij een extra complicatie. Het ontbreekt aan een coördinatiemechanisme dat top-down het gehele inzetvermogen van de Europese krijgsmachten monitort. Buitengewone ministeriële conferenties in EU-verband, zoals door Nederland al is voorgesteld, zouden dit kunnen ondervangen. Een ondersteunende rol van het EDA voor de uitvoering van deze coördinatie ligt voor de hand.

Een belangrijke les luidt dat de meest effectieve strategie voor militaire samenwerking aanvangt bij gezamenlijke aankoop en instandhouding van materieel, gecombineerd met gezamenlijke opleiding en training van personeel. In dit domein moeten echter nog de nodige weerstanden tegen samenwerking bij onder meer nationale defensie-industrieën en militaire behoeftestellers worden overwonnen. Bij materieelsamenwerking treden niet of nauwelijks beperkingen op ten aanzien van de zelfstandige inzet van militaire eenheden. Zijn eenmaal positieve ervaringen opgedaan met deze samenwerking en zijn de betrokken partijen overtuigd geraakt van de wenselijkheid verdere stappen te zetten, dan kan de stap naar verdergaande militair-operationele samenwerking worden gezet, met de uitruil en verdeling van militaire capaciteiten als sluitstuk. Er is hier sprake van een zekere analogie met het verloop van het Europese integratieproces als geheel, het resultaat van een strategie van opeenvolgende kleine stappen naar verbreding en verdieping van samenwerking.

Het doel van internationale defensiesamenwerking is niet alleen het vergroten van de output van de gezamenlijke defensiebudgetten in termen van capaciteiten, maar ook het vergroten van de effectiviteit van optreden tijdens missies. Hiervoor zijn de ontwikkeling van operationele concepten en gezamenlijke training onontbeerlijk. Bij toekomstige hybride militaire conflicten zal het succes van het optreden van multinationale eenheden vooral worden bepaald door de bekwaamheid om in een complexe civiel-militaire omgeving te kunnen werken. Daarnaast is het aanpassingsvermogen van krijgsmachten van belang en de snelheid waarmee op nieuwe veiligheidsrisico’s kan worden gereageerd. Dit aanpassingsvermogen zal breed aanwezig moeten zijn, of het nu gaat om gezamenlijke materieelverwervingsprocedures, opleiding- en trainingsconcepten of het aanpassingsvermogen van de defensie-industrieën.

Samenwerkingsmogelijkheden in de toekomst
Nederland wordt in Europa gezien als voortrekker op het gebied van defensiesamenwerking met andere landen. Het Benesam-model kan als lichtend voorbeeld fungeren voor andere landen. Toch is de AIV ervan overtuigd dat ook voor Nederland nog talrijke mogelijkheden ongebruikt zijn. Het zwaartepunt van de defensiesamenwerking ligt in de relatie met de Benelux-partners en Duitsland. Een verdieping van de militaire samenwerking met deze landen is gewenst, maar deze dient ook gepaard te gaan met een intensivering van de veiligheidspolitieke samenwerking. Daarnaast ziet de AIV voor de Koninklijke luchtmacht kansen om de samenwerking te verbreden met Noorwegen en Denemarken. Nederland deelt met beide landen een overeenkomstige politiek-strategische cultuur en visie op het buitenlandsen veiligheidsbeleid. Ten slotte bepleit de AIV een voortzetting van de operationele samenwerking met het Verenigd Koninkrijk door aansluiting te zoeken bij de Joint Expeditionary Force (JEF), mits de regering hiervoor een breed politiek draagvlak kan realiseren en het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk hiervoor daadwerkelijk openstaan. Aldus kan Nederland meer politiek prestige verwerven en invloed uitoefenen op besluitvorming over internationaal (militair) optreden in crisissituaties.

In concreto legt de AIV de regering een tiental aanbevelingen voor die rechtstreeks betrekking hebben op (onderdelen van) de Nederlandse krijgsmacht:

  1. Teneinde het bereikte niveau van de samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische marines in de toekomst te waarborgen, moeten de regeringen van beide landen de lopende investeringsplannen op elkaar afstemmen en een gezamenlijke behoeftestelling opstellen die op termijn uitmondt in een gezamenlijk investeringsplan. Een belangrijk doel van dit plan moet zijn om gezamenlijk bij te dragen aan versterking van Europese maritieme vermogens. Indien mogelijk wordt ook Duitsland hierbij betrokken.
  2. Teneinde het niveau van de samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische marines verder te verhogen, kan de operationele samenwerking in het kader van Benesam worden verdiept door gezamenlijke inzet van marine-eenheden voor onder meer kustwachttaken, mijnenbestrijding en piraterijbestrijding.
  3. Teneinde kostenbesparingen bij materieel-logistieke samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische luchtmachten te realiseren, moet een gezamenlijke aankoop, onderhoud en stationering van transport- en gevechtsvliegtuigen alsmede een gezamenlijke opleiding en training van vliegers worden bewerkstelligd. Het is wenselijk dat beide regeringen tot een eensluidend besluit komen over de opvolging van de F-16. Valt dit besluit uit ten gunste van de JSF, dan is uitbreiding van de materieel-logistieke samenwerking met Noorwegen en Denemarken mogelijk en wenselijk (aannemende dat in deze landen een definitieve keuze voor de JSF gemaakt wordt).
  4. Teneinde kostenbesparingen bij materieel-logistieke samenwerking tussen de Nederlandse en Duitse landmachten te realiseren, moet gezamenlijk onderhoud van het Boxer gevechtsvoertuig en de Pantserhouwitser alsmede gezamenlijke aankoop en beheer van munitiesoorten worden bewerkstelligd. Ook moeten de regeringen van beide landen de lopende investeringsplannen op elkaar afstemmen en een gezamenlijke behoeftestelling opstellen die op termijn uitmondt in een gezamenlijk investeringsplan. Een belangrijk doel van dit plan moet zijn de versterking van het Europese militaire vermogen voor landoptreden.
  5. Teneinde de Koninklijke landmacht ook in de toekomst in staat te stellen om met voldoende escalatiedominantie op te treden in conflicten, moet worden onderzocht of het verlies aan mobiliteit, vuurkracht en bescherming als gevolg van de recente bezuinigingen kan worden gemitigeerd door het leasen van gevechtstanks van de Bundeswehr, bij voorkeur door het sluiten van een package deal met Duitsland. Als tegenprestatie zou Duitsland gebruik kunnen maken van Nederlands materieel of (trainings)faciliteiten.
  6. Teneinde de kosten van verwerving en instandhouding van een onbemand vliegtuig (MALE UAV) te beperken, moet Nederland streven naar gezamenlijke aankoop, onderhoud en stationering van de MALE UAV. Nauwe samenwerking met Duitsland brengt aanmerkelijke schaalvoordelen met zich, ook op het gebied van opleiding en training.
  7. Teneinde de effectiviteit van maritieme raketverdediging tegen langeafstandsprojectielen te vergroten, ligt operationele samenwerking van Nederland met Duitsland evenzeer voor de hand, aangezien beide landen in Europa voorop lopen in de ontwikkeling van maritieme Theatre Ballistic Missile Defence.
  8. Teneinde de kosten voor Nederland van de instandhouding van vier onderzeeërs te verlagen, zou onderzocht kunnen worden of deze schepen, naar het voorbeeld van de Admiraal Benelux, onder een gezamenlijk commando met de acht Duitse onderzeeërs kunnen worden gebracht. Aansluiting van Denemarken bij een mogelijke onderzeebootsamenwerking behoort tot de mogelijkheden. Ook hier zouden mogelijk besparingen kunnen worden gevonden door gezamenlijk onderhoud en gezamenlijke opleiding en training van bemanningen.
  9. Teneinde in staat te zijn met de krijgsmacht een bijdrage te leveren aan risicovolle missies, verdient onder meer een operationele samenwerking met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in de JEF serieuze bestudering.
  10. Teneinde de European Gendarmerie Force (EGF) als unieke nichecapaciteit op het gebied van politiedienstverlening te versterken, valt te overwegen deze formatie uit te bouwen tot Permanente Gestructureerde Samenwerking (PGS) dan wel op te zetten als vorm van nauwere samenwerking als bedoeld in het Verdrag van Lissabon.

De AIV acht het wenselijk dat de regering zich niet alleen inzet om de Nederlandse krijgsmacht verder in te bedden in bi- en multilaterale samenwerkingsconstructies, maar ook dat zij een actieve diplomatie bedrijft om internationale defensiesamenwerking in NAVO- en EU-verband te verdiepen. De hervorming in de richting van expeditionair optreden die deze veiligheidsorganisaties na de Koude Oorlog hebben doorgemaakt, moet met kracht worden voortgezet. De gewenste inspanningen zouden zich vooral kunnen richten op de omvorming van de snelle reactiemachten van de NAVO en de EU tot semi-permanente samenwerkingsverbanden, intensiever gebruikmaken van NAMSA voor logistieke ondersteuning van NAVO- en EU-operaties, het denationaliseren van de verwerving van defensiematerieel, een verschuiving van nationale naar multinationale opleidings- en onderzoeksprogramma’s en de totstandkoming van één onderzoeksbudget voor interne en externe veiligheid. In dit verband doet de AIV een zestal aanvullende aanbevelingen:

  1. Teneinde een verdieping van de operationele samenwerking tussen deelnemende landen aan de NRF en EU Battlegroups te bewerkstelligen, verdient het aanbeveling de snelle reactiemachten om te vormen tot semi-permanente samenwerkingsverbanden, waarbij dezelfde (combinatie van) landen periodiek deelnemen aan een NRF of battlegroup-rotatie. Die Europese landen die – anders dan Nederland – niet beschikken over een volledig expeditionaire krijgsmacht, kunnen worden aangemoedigd zich te specialiseren door een nichecapaciteit bij te dragen aan de NRF of EU Battlegroups.
  2. Teneinde de hoge kosten voor de beschikbaarstelling en inzet van de NRF en de EU Battlegroups te beperken, verdient het aanbeveling dat lidstaten die de leiding hebben over één of meerdere van deze snelle reactiemachten rechtstreeks afspraken maken met NAMSA over de logistieke ondersteuning van deze eenheden. Zo kan worden vermeden dat afspraken met NAMSA over de ondersteuning van EU-geleide militaire formaties stranden vanwege de politieke blokkade op de EU-NAVO-samenwerking.
  3. Teneinde een grotere doelmatigheid te bereiken in de uitgaven voor de verwerving van defensiematerieel, moeten de EU-lidstaten het percentage uitgaven ter zake van materieelaankoop op bi- of multilaterale basis stapsgewijs verhogen. Hiervoor is het noodzakelijk om stelselmatig onderzoek naar de mogelijkheden van internationale samenwerking te verankeren in het defensieplanningsproces van de afzonderlijke lidstaten. Alleen zo kan een grotere standaardisatie van defensiematerieel worden bereikt. Het EDA zou moeten worden belast met het adviseren en monitoren van lidstaten over de vereiste aanpassingen van het defensieplanningsproces op basis van opgedane best practices in een aantal landen.
  4. Teneinde een duurzame internationale materieelsamenwerking op de gebieden logistiek, onderhoud, opleiding en training tot stand te brengen, moeten de mogelijkheden van gezamenlijke opleidingen beter worden benut. Ook zou de samenwerking tussen defensieopleidingen kunnen worden versterkt, bijvoorbeeld door een stapsgewijze uitbreiding van het European Security and Defence College.
  5. Teneinde een grotere doelmatigheid te bereiken in de noodzakelijke investeringen in grensoverschrijdend onderzoek en ontwikkeling, moet evenzeer een verschuiving worden nagestreefd van nationale naar multinationale onderzoeksprogramma’s alsmede een nauwere samenwerking met de private sector. De NAVO (Smart Defence) en de EU (gemeenschappelijke investeringsprogramma’s voor onderzoek en technologie) moeten hun inspanningen op dit terrein bundelen teneinde duplicatie van onderzoeksprogramma’s te voorkomen.
  6. Teneinde meer synergie in het onderzoek naar interne en externe veiligheid te stimuleren, wordt – gelet op de nauwe samenhang tussen beide dimensies van veiligheid – voorgesteld één EU-onderzoeksbudget voor interne en externe veiligheid in het leven te roepen. Voor dit doel moeten afspraken worden gemaakt tussen de Europese Commissie en het EDA.

Tot besluit
De AIV bepleit in dit advies een samenhangende aanpak van de uitbreiding en verdieping van de Europese defensiesamenwerking. Hiertoe is een tweesporenbenadering vereist die bestaat uit een top-downstrategie voor Europese veiligheidssamenwerking en een bottomupaanpak voor verdieping van de bilaterale defensiesamenwerking. Het is essentieel beide sporen met elkaar in evenwicht te brengen. Overaccentuering van het eerste spoor kan leiden tot een te zwak gevoel van ownership bij de nationale krijgsmachten. Bovendien bestaat het risico dat plannen die in NAVO- en EU-verband worden gesmeed, onvoldoende rekening houden met de bijzondere banden die tussen landen en hun krijgsmachten bestaan. Anderzijds brengt een eenzijdige gerichtheid op het tweede spoor, de bottom-upaanpak, het risico mee van een gebrek aan afstemming tussen (regionale) clusters van samenwerkende landen, met als mogelijk gevolg grote onevenwichtigheden in de militaire vermogens die voor Europa als geheel beschikbaar zijn. Mede met het oog hierop bepleit de AIV het opstellen van een nieuwe Europese veiligheidsstrategie. Deze exercitie zou een tweeledig karakter dienen te hebben. In de eerste plaats een onderzoek dat systematisch in kaart brengt wat Europa militair gezien nodig heeft om zijn veiligheid te waarborgen en een rol van betekenis op het wereldtoneel te kunnen spelen. Ten tweede zou een evaluatie van de nationale defensieplannen in het licht van de vastgestelde Europese militaire behoeften moeten worden uitgevoerd. Deze evaluatie dient antwoord te geven op de vraag in hoeverre de Europese landen op defensiegebied de juiste prioriteiten stellen en op welke militaire vermogens samenwerkingsverbanden zich bij voorkeur moeten richten. De AIV acht het opportuun deze nieuwe Europese veiligheidsstrategie op het hoogste politieke niveau (Europese Raad) te agenderen als een voorwaarde voor haar welslagen.

De AIV onderstreept ten slotte dat kostenbesparingen als gevolg van bi- en multilaterale samenwerking niet de weg vrijmaken voor nieuwe bezuinigingen op het Nederlandse defensiebudget. Het realiseren van besparingen is een proces waarbij de kost (investeren) voor de baat uitgaat en vertrouwen tussen de samenwerkingspartners essentieel is. Kostenbesparingen zullen hard nodig zijn om bestaande operationele tekortkomingen op te heffen en een adaptieve, innovatieve krijgsmacht in stand te houden. Dit is eens te meer van belang nu Europa in de toekomst meer en meer op zijn eigen (militaire) benen zal moeten staan en ook van Nederland een evenredige bijdrage aan de Europese defensie zal worden verwacht.


1 S. Gebicke en S. Magid, ‘Lessons from around the World: Benchmarking performance in defence’, McKinsey
on Government, Spring 2010; zie ook Nick Witney, ‘Re-energising Europe’s Security and Defence Policy’,
European Council on Foreign Relations, London, July 2008.

2 Een klassieke verhandeling over dit begrippenpaar vindt men bij Glenn H. Snyder, ‘The Security Dilemma in
Alliance Politics’, World Politics 36 (4), 1984.

3 Het Toetsingskader deelneming van Nederlandse militaire eenheden aan internationale crisisbeheersingsoperaties is in 1995 vastgesteld en in 2009 voor het laatst aangepast.