Een indruk van de informatiebijeenkomsten

14 juli 2010



In een eerder artikel heeft u kunnen lezen dat de toelichting van de Staatssecretaris van Defensie op zijn aanbod van 14 april 2010 voor de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel (hierna: de Centrales) de aanleiding was om het arbeidsvoorwaardenoverleg op te schorten.

De Centrales hebben de tussenliggende periode gebruikt om op diverse defensielocaties in het land gezamenlijk het personeel te informeren over de gang van zaken omtrent het arbeidsvoorwaardenoverleg tijdens zogenaamde informatiebijeenkomsten.

De opzet van deze informatiebijeenkomsten was tweeledig. Ten eerste heeft het personeel een uitgebreide beschouwing gekregen van hetgeen er is geschreven en besproken tussen de Centrales en Defensie. Beginnende bij de gezamenlijke inzetbrief van de Centrales van 30 december 2009 tot de toelichting van de Hoofddirecteur personeel, namens de Staatssecretaris, op de brief van 14 april jl. Hierbij is ingegaan op de gevolgen voor het personeel van hetgeen de Staatsecretaris wenst in te zetten voor (verbetering van) de arbeidsvoorwaarden van het personeel. Aansluitend is het personeel in de gelegenheid gesteld vragen te stellen en hun mening te ventileren. Een gelegenheid waar veelvuldig gebruik van is gemaakt.

Het mag geen verbazing wekken dat hierbij op alle locaties dezelfde ‘pijnpunten’ naar voren kwamen. Zo is het personeel er van doordrongen dat, gezien de financiële situatie waarin de Nederlandse samenleving zich bevindt, er bescheidenheid past als het gaat om een structurele salarisverhoging. Onbegrip bestaat er echter als het gaat om de ‘geboden’ nominale nullijn. Het personeel voelt zich hierdoor dubbel gepakt. Ten eerste zullen de aangekondigde bezuinigingen de militair, net als elke andere burger in Nederland, gaan raken. Het feit dat bij een nominale nullijn zelfs een koopkrachtcorrectie niet aan de orde is betekend dat voor de militair een extra bezuinigingsslag. Het feit dat andere ambtenaren, bij de gemeenten, provincies en de waterschappen, wel een structurele loonsverhoging hebben bedongen en dat in de Tweede Kamer een motie met ruime meerderheid is aangenomen waarin het kabinet wordt opgeroepen het referentiemodel te handhaven, maakt het onbegrip alleen maar groter. Ten tweede bestaat er grote weerstand tegen het voornemen tot ophogen van de ingangsleeftijd van het Leeftijdsontslag Militairen. Ondanks dat dit onderwerp van de agenda is gehaald door Defensie als het gaat om deze overlegronde, het feit dat Defensie hier direct aan koppelde dat dit onderwerp een volgende overlegronde zeker op de agenda moet komen kan de goedkeuring van het personeel niet wegdragen. Hierbij wordt gewezen op het feit dat de militair de afgelopen tien jaar reeds geconfronteerd is met ophogingen van in totaal vijf tot tien jaar (afhankelijk van het krijgsmachtdeel) zonder dat de AOW-leeftijd in die periode ook met eenzelfde aantal jaren is gestegen of dat er een noemenswaardige compensatie tegenover is gesteld. Naast bovenstaande punten was een veelgehoord punt dat de situatie op de werkvloer nu zo nijpend begint te worden dat het personeel de normale werkzaamheden niet meer naar behoren kunnen uitvoeren. Zo heeft niet elke militair meer de beschikking over de Persoonlijke Gevechtsuitrusting, als gevolg van het niet verstrekt hebben gekregen bij opkomst of bij ruiling. Is er niet genoeg munitie om schietoefeningen te kunnen uitvoeren, is er gebrek aan reservedelen om de voertuigen inzetbaar te houden en wordt noodzakelijk klein onderhoud van gebouwen niet uitgevoerd. Het personeel geeft aan dat deze zaken het gevoel van het werkzaam zijn binnen een professionele organisatie, zoals Defensie zichzelf pleegt te noemen, danig onder druk zet.

Duidelijke signalen die de Centrales zullen meenemen in hun opstelling naar Defensie toe als het gaat om te komen tot een pakket aan arbeidsvoorwaarden dat recht doet aan de inzet en de loyaliteit van het defensiepersoneel.

Wanneer dit ProDef bulletin bij u op de mat valt heeft de laatste informatiebijeenkomst plaatsgevonden, is de balans opgemaakt en hebben de Centrales, ieder voor zich, een standpunt ingenomen hoe nu verder te gaan met het arbeidsvoorwaardenoverleg.