Reorganisatie in relatie tot het opgeschorte Overleg

In het ProDef-Bulletin van maart 2011│nummer 2 heeft u kunnen lezen wat het standpunt is van CMHF-sector Defensie, samen met de ACOP en CCOOP (hierna: Centrales), inzake het doorgaan van reorganisatietrajecten nu het Georganiseerd Overleg met ingang van 19 november 2010 is opgeschort.
 
We leven nu inmiddels in juni 2011 en de Centrales hebben van Defensie de afgelopen maanden een aantal keren een verzoek mogen ontvangen om, ondanks het stilliggen van het overleg, toch door te gaan met een specifiek reorganisatietraject.
 
Slechts in een enkel geval hebben de Centrales geoordeeld dat, in het belang van het personeel, aan zo’n verzoek gehoor zou moeten worden gegeven. In de meeste gevallen was de conclusie van de Centrales echter dat Defensie niet voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het niet doorgaan van het desbetreffende reorganisatietraject onevenredige negatieve consequenties heeft voor het betrokken defensiepersoneel.
 
Signalen, van onze leden, wijzen erop dat Defensie klaarblijkelijk van mening is dat zij er alles aan doet om de reorganisaties door te laten gaan, maar dat zij vindt dat de Centrales dwarsliggen.
Zoals gebruikelijk heeft ook hier de waarheid twee gezichten.
 
De CMHF-sector Defensie heeft samen met de andere twee centrales Defensie te kennen gegeven dat Defensie een verzoek kan doen aan de Centrales om een specifiek reorganisatietraject alsnog doorgang te laten vinden. In dit verzoek dient dan wel beargumenteerd te worden aangegeven waarom het niet doorgaan van dit specifieke reorganisatietraject onevenredige negatieve consequenties heeft voor het betrokken personeel.
 
De verzoeken van Defensie beginnen veelal met een uitgebreide argumentatie aangaande de bedrijfsvoering en het organisatiebelang, waarna een (zeer) summiere argumentatie volgt aangaande het personeelsbelang.
 
De uitgebreide argumentatie aangaande de bedrijfsvoering en het organisatiebelang kent een aantal repeterende elementen:
-      ‘Mandaten kunnen niet worden overgedragen en systemen als PeopleSoft zijn niet ingericht op de ontstane situatie dat personeel (tijdelijk) in een dubbele structuur werken.’;
-      ‘Militairen vertrekken na ommekomst van hun plaatsingsduur en burgers zoeken hun heil elders. Op dit moment wordt de aansturing overeind gehouden op basis van loyaliteit van achterblijvend personeel. Verder vertragen van de reorganisatie zorgt voor nog verder toenemende werklast waardoor uiteindelijk niet alle taken meer kunnen worden uitgevoerd.’.
 
De (zeer) summiere argumentatie aangaande het personeelsbelang kent veelal een drietal elementen:
-      ‘Vertraging van de reorganisatie is niet in het belang van het personeel vanwege de voortduring van de onzekerheid. Immers, het reorganisatieproces loopt al geruime tijd waardoor het personeel al langdurig te maken heeft met een onzekere situatie. Dit is ongewenst.’;
-      ‘(fictief) overtollig personeel wordt aan het werk gehouden en kan niet in het SBK worden gebracht’;
-      ‘Personeel kan niet worden bevorderd.’.
 
 
Met betrekking tot de bedrijfsvoering en het organisatiebelang is de CMHF-sector Defensie van mening dat dit een gespreksonderwerp is voor Defensie met de Medezeggenschapcommissie. De Centrales gaan niet over de bedrijfsvoering.
Wel heeft de CMHF-sector Defensie met de twee andere centrales de ongerustheid uitgesproken over de werklast van het “achterblijvende” personeel en Defensie gewezen op de belangrijke taak voor de desbetreffende commandant in de bescherming van dit personeel.
 
Met betrekking tot het personeelsbelang is de CMHF-sector Defensie van mening dat al het personeel bij defensie in onzekerheid verkeerd sinds de minister in oktober 2010 heeft aangekondigd dat er 10.000 ontslagen gaan vallen. Een onzekerheid die met het uitkomen van de beleidsbrief op 8 april jl. eerder groter dan kleiner is geworden. Hierin schuilt dus, naar mening van de CMHF-sector Defensie, geen onevenredigheid.
 
De CMHF-sector Defensie is ook van mening dat het (nog) niet kunnen ontslaan van overtollig personeel voor dit personeel niet onevenredig negatief is. Het personeel dat betrokken is bij een reorganisatietraject waarvoor Defensie een verzoek heeft ingediend om dit voort te zetten, is (veelal) reeds geïnformeerd over de persoonlijke consequenties van dit reorganisatietraject. Personeel dat overtollig wordt heeft als gevolg van de vertraging nu echter langer de tijd om zich, met behoud van werk en inkomen, te oriënteren op een toekomst buiten de defensieorganisatie. De termijnen, zoals vastgelegd in het SBK, gaan immers pas in op het moment dat het reorganisatietraject is afgerond. De CMHF-sector Defensie houdt Defensie niet tegen wanneer defensie zou besluiten het betrokken personeel, vooruitlopende op de afronding van het reorganisatietraject, alvast toe te staan gebruik te maken van enkele elementen uit het SBK.
 
Met betrekking tot het niet kunnen bevorderen van personeel beseft de CMHF-sector Defensie dat dit door het desbetreffende personeelslid negatief wordt ervaren. De CMHF-sector Defensie tracht, samen met de andere Centrales van Overheidspersoneel, de belangen te behartigen van alle 68.000 defensiemedewerkers. In dat kader is de CMHF-sector Defensie soms gedwongen keuzes te maken die in het belang zijn van het overgrote deel van de defensiemedewerkers, maar negatief (kunnen) uitpakken voor enkele individuele defensiemedewerkers.
 
Samengevat is de CMHF-sector Defensie van mening dat niet de Centrales de vertragende factor zijn, maar Defensie zelf.
Defensie is klaarblijkelijk niet in staat om beargumenteerd aan te geven wat de onevenredige negatieve consequenties zijn voor het personeel dat betrokken is bij de lopende reorganisatietrajecten.
Daarnaast is het ook Defensie die tot op heden weigert om te komen met een uitnodiging aan de Centrales van Overheidspersoneel met daarin een opening die leidt tot open en reëel overleg over de arbeidsvoorwaarden. Een uitnodiging die het overleg, en daarmee ook de lopende reorganisatietrajecten, weer op weg zou helpen.