Home
Nieuws
Over de FVNO|MHB
Arbeidsvoorwaardenakkoord
FAQ SBK 2012
Bezuinigingen bij Defensie
Georganiseerd Overleg
Georganiseerd Overleg Defensie
Sectie Georganiseerd Overleg
De FVNO|MHB vertegenwoordigers
De Overlegfora
Overleg agenda van het Georganiseerd Overleg voor 2012
Uit het Georganiseerd Overleg
Dossiers
Veteranen
Pensioenen en UGM
CAO 2010-2013
Flexibel Personeelssysteem
Leeftijdsfasebewust personeelsbeleid
Burgerpersoneel bij Defensie
Reactie Minister nader bekeken
Rapport beloningsverschillen: Eindelijk een reactie
Geen reactie op rapport Beloningsverschillen
Rapport 'Beloningsverschillen'
Buitenlandtoelage
WIA
Archief: Dossiers
Medezeggenschap
ProDef BULLETIN
OPINIE
Evenementen
Ledenvoordeel
Archief: FVNO|MHB
Links
De reactie van de Minister op het Rapport Beloningsverschillen nader beschouwd
De FVNO│MHB heeft zeer lang moeten wachten op een reactie van de Minister op ons rapport over beloningsverschillen tussen burger-ambtenaren bij Defensie en Rijksambtenaren. Wij hebben lange tijd in de veronderstelling verkeerd dat de zeer lange reactietijd verband hield met de doorwrochtheid van de reactie van de Minister. Daar zijn wij van een koude kermis thuisgekomen.
Ons rapport tracht een oneigenlijke arbeidsvoorwaardelijke situatie, die voor Defensie op termijn sterk detrimente uitwerking kan krijgen, op adequate wijze te analyseren en te voorzien van mogelijke oplossingen. Het is schaamteloos dat ons diepgravende en zeer serieuze rapport op een dermate oppervlakkige en afhoudende wijze is afgedaan, als ware het een Kamervraag.
Waar ons rapport doelbewust niet de beloningsverhouding tussen militair en burger centraal stelt, stelt de Minister in onbegrip dat de salarisvergelijking alleen kan worden gedaan voor de gehele sector, burger en militair. Bij deze onjuiste aanname gaat de Minister – kennelijk slecht geďnformeerd door zijn staf – voorbij aan destijds verrichte pakketvergelijking e.d. Het mag duidelijk zijn dat deze route niet werkbaar is. Bovendien is het pertinent onjuist. Burgers zijn burger en militairen zijn militairen, hetgeen kennelijk aparte arbeidsvoorwaarden rechtvaardigt. Dan kan het vanzelfsprekend niet zo zijn dat beide stelsels opgeteld vergeleken mogen of moeten worden met arbeidsvoorwaarden van andere ambtenaren.
Wat wel vergeleken mag worden zijn arbeidsvoorwaarden van burger-ambtenaren bij Defensie die om geen enkele reden zouden moeten afwijken van die van burgers elders in de rijksdienst. Behalve wellicht bij uitzendingen, die burger-ambtenaren bij Defensie in toenemende mate ook treft. Maar ook weer daar is de burger-ambtenaren bij Defensie onvergelijkbaar slecht uit in vergelijking met bijvoorbeeld een uitgezonden ambtenaar van Buitenlandse Zaken.
Dat bij een vergelijking ook de secundaire arbeidsvoorwaarden in beschouwing moeten worden genomen is op zich juist, maar dat is ook een buitengewoon domme repliek. Eenvoudig kan namelijk vastgesteld worden dat juist ook op het vlak van secundaire arbeidsvoorwaarden de burger-ambtenaren bij Defensie scherp slecht uit zijn in vergelijking met zowel de militairen als met de rijksambtenaren. Er is niet één uitzondering hierop aan te wijzen.
Voor goed geďnformeerden is het duidelijk dat de relatieve achteruitgang van burger-ambtenaren bij Defensie met name het gevolg is de invoering van het sector-model. Dat model was gericht op een arbeidsvoorwaardelijke verdeel-en-heers-benadering, met als oogmerk de afbraak van de centrale macht van de belangenbehartiging vanuit de vakcentrales. Die strategie heeft gewerkt, het belangrijke aandeel van de burger-ambtenaren bij Defensie is structureel op achterstand gezet.
De uitspraak van de Minister dat de vergelijking aan de hand van slechts drie criteria, nl. leeftijd, geslacht en opleiding, te beperkt zou zijn, roept de niet beantwoorde vraag op langs welk criterium nog extra aangetoond zou moeten worden dat de burger-ambtenaren bij Defensie achterlopen. Ook diskwalificeert de Minister hiermee zijn collega van Binnenlandse Zaken die verantwoordelijk is voor de vergelijking langs de genoemde criteria. De Minister weet het kennelijk ook beter dan wetenschappelijke instituten die het onderliggende veldwerk hebben verricht, maar de Minister geeft naast zijn kritiek evengoed geen alternatieven.
Van veel aanbevelingen uit ons rapport stelt de Minister dat Defensie dit al heeft opgepakt. In alle gevallen kunnen we vaststellen dat e.e.a. vooralsnog tot niets heeft geleid, waarmee het voornamelijk een wassen neus is. De organisatieopbouw wordt aan voorbij gegaan, evenals de samenloop daarvan met functiewaarderingssystematiek. In wezen wordt de gehele problematiek ontkend. De relatieve achterstelling bestaat dus eigenlijk helemaal niet, in elk geval niet langs de oorzaken zoals aangeduid in ons rapport. De Minister komt ook niet met eigen appreciatie van oorzaken voor de achterstand, die we dan als alternatief zouden kunnen gaan oplossen.
De Minister wil ook het probleem helemaal niet oplossen, want het is namelijk helemaal geen probleem. De Minister geeft wel toe dat er een belangrijk beloningsverschil is met de rijksambtenaren, maar dit vindt hij geen probleem. Dat is het namelijk pas als de mensen weglopen en dat doen ze immers niet.
Met deze volstrekt gevoelloze benadering geeft de Minister een harde slag in het gezicht van de vele loyale burger-ambtenaren die op allerlei cruciale posten reeds jarenlang de continuďteit in de bedrijfsvoering van Defensie zeker stellen, tussen de wegens hun loopbaanbeleid steeds wisselende militaire collega’s. De nieuwe Minister zal er nog achterkomen hoe het zit. Vrijwel alle nieuwe medewerkers die intreden bij Defensie kunnen alleen worden gelokt met hogere schalen dan degenen die ze vervangen. Zo lost het probleem zichzelf ook gaandeweg wellicht gedeeltelijk op. Maar de belediging door de Minister van de zittende burger-ambtenaren bij Defensie wordt hiermee alleen maar onderstreept.
Om nu te horen dat de burgers de beloningsachterstelling aan zichzelf te wijten hebben omdat ze het zover hebben laten komen in het overleg, is wederom een uiting van volledig onbegrip bij deze Minister. Het overleg wordt aan werknemerszijde gevoerd door de 4 centrales, waarbinnen in alle gevallen de militairen zeer sterk de overhand hebben. Het is realiter niet te verwachten dat in deze setting de belangen van burgers ooit prioritair gesteld zouden worden aan de overlegtafel.
Vanuit de CMHF/FVNO│MHB is het initiatief genomen om over de centrales heen een kongsi te realiseren ter behartiging van specifieke belangen van de burger-ambtenaren bij Defensie. Dit heeft enig positief effect gehad op de aandacht voor burgers in het overleg, maar het is en blijft een vreemde vorm binnen het overleg dat op zich gedoemd was te leiden tot achterstelling van de burger-ambtenaren bij Defensie. Alleen structurele positieve aandacht voor de belangen van burgers aan de overlegtafel kan dit ontij keren. De reactie van de Minister geeft echter geen enkel houvast voor een dergelijke gedragsverandering, integendeel.
De FVNO│MHB ziet hierin maar een uitweg, namelijk dat de burgers met kracht moeten sturen op een losweking uit het BARD en arbeidsvoorwaardelijk wederom aansluiting moeten zoeken bij de rijkscollega’s.