Spreekverbod voor militairen?

6 mei 2010



Medewerkers van Defensie mogen niet deelnemen aan een rondetafelgesprek van de Tweede Kamer over veteranenbeleid op 17 mei aanstaande. Het gesprek gaat over een initiatiefwetsvoorstel voor een veteranenwet die de Kamer zelf gaat maken. Staatssecretaris Jack de Vries (Defensie) werkt aan een eigen veteranenwet, maar daar is de Kamer niet tevreden over.

De secretaris-generaal van Defensie heeft zowel militairen als burgers die in dienst zijn van Defensie, laten weten geen toestemming te geven voor deelname aan het gesprek met de Tweede Kamer, zei een defensiewoordvoerder donderdag.

De FVNO|MHB vind dit standpunt van de hoogste ambtenaar van het ministerie op zijn zachtst gezegd opmerkelijk. Al in maart 2008 is met onderstaande brief de minister van Defensie gevraagd de Aanwijzing SG inzake contacten met de media, niet rigide toe te passen. Dit heeft toen geleid tot een constructief gesprek met de secretaris-generaal en de directeur voorlichting en communicatie Defensie, over de (on)vrijheden van militairen in de contacten met de pers en de volksvertegenwoordiging. Vastgesteld werd dat militairen en burgerambtenaren zich dienen te onthouden van meningen over het vastgestelde defensiebeleid, zeker in een politieke context, maar dat zij zeer wel in staat zijn om vanuit hun professie bij te dragen aan de voorbereidende discussies en deze, op basis van hun kennis en ervaring, in te kleuren. Twee jaar na dato is de defensieleiding dat constructieve gesprek blijkbaar alweer vergeten.

-------------------------------------------------------

Den Haag, 27 maart 2008 Nummer : KVMO/08/0221-023 Onderwerp : Voorlichtingsstrategie Defensie

Zeer geachte heer Van Middelkoop,

de Koninklijke Vereniging van Marineofficieren vraagt uw aandacht voor de manier waarop uw ministerie voorlichting geeft over zaken waarbij individuele militairen of ex-militairen in de media worden aangevallen bij mogelijk foutief of onjuist handelen.

De aanleiding is de recente uitspraak van de Raad voor de Journalistiek over een uitzending van het programma NOVA waarbij beschuldigingen over intimidatie van getuigen in een bekende schietincidentzaak werden geuit. In de uitspraak, waarbij de ingediende klacht gegrond werd verklaard, worden ook een tweetal vingerwijzigingen gedaan naar de manier waarop uw ministerie in dit soort zaken woordvoering doet. Of, om het duidelijker aan te geven, door een “geen commentaar” aanpak feitelijk geen woordvoering doet.

De reden voor de brief is het patroon dat zich, volgens de KVMO, laat zien als er aantal zaken uit de afgelopen jaren op een rij worden gezet. Ik noem er enkele ter illustratie;

- Eind 2005 werd een USB stick gevonden die aan een kapitein van de landmacht behoorde. Op vragen van de media naar oorzaak, maatregelen en mogelijke straf werd door het ministerie in algemene zin geen commentaar gegeven. Het Openbaar Ministerie deed immers onderzoek en betrokkene was geschorst. Uiteindelijk bleek op de USB stick geen geheime data te staan, maar in het publiek beeld is er nog steeds sprake van een USB kapitein.

- Begin 2006 wordt in de media verslag gedaan van omvangrijke en schokkende misstanden aan boord van Hr.Ms. Tjerk Hiddes. Ook in dit geval wordt geen inhoudelijk commentaar gegeven maar worden wel alvast robuuste uitspraken gedaan, mocht een en ander waar blijken zijn. Uiteindelijk blijkt na uitgebreid onderzoek dat van de beschuldigingen weinig overblijft, de klaagster blijkt het verhaal grotendeels gelogen te hebben. Maar het beeld van een “Sodom en Gomorra” eenheid is tot op heden blijven hangen aan de gehele bemanning.

Terzijde: dit incident gaf aanleiding voor het noodzakelijke onderzoek van de commissie Staal maar dat onderzoek had er ook kunnen komen naar aanleiding van allerlei andere incidenten die zich in de jaren ervoor voordeden. Incidenten die in veel, zoniet alle, gevallen bekend zijn geweest op het beleidsniveau van uw ministerie. Het was dit beleidsniveau dat problemen afdeed als een gevolg van de “vermaatschappelijking van de krijgsmacht”. De KVMO beschouwt het goede resultaat van het onderzoek en de belangrijke aanbevelingen, als een “geluk” bij een “ongeluk”.

- Tussen 2003 en 2007 wordt in de zaak rondom het bekende schietincident in Irak bij herhaling gesuggereerd dat officieren informatie achterhouden. Ook in vergelijkbare schietincidenten in Irak leeft het beeld dat informatie is en wordt achtergehouden. Het is de KVMO echter bekend dat de twee mariniersbataljons al hun schietincidenten, groot of klein, aan het ministerie gemeld hebben. Ook de daarna volgende infanteriebataljons hebben zich aan die meldplicht gehouden. Het betreft naar onze schatting zo'n 100 zogenaamde commandantenmeldingen. In combinatie met de operaties in Afghanistan moet het inmiddels gaan om honderden meldingen. Dit beeld is bij het publiek onbekend.

- In 2007 en 2008 doen zich op de NLDA een aantal gevallen voor waarbij aan docenten en professoren vaktechnische informatie wordt gevraagd over militaire zaken. In deze gevallen wordt vanuit uw directie Voorlichting druk gezet om deze informatie niet te verstrekken, ondanks het feit dat betrokkenen aangeven goed met media te kunnen omgaan en zich bewust te zijn van hun rol ten aanzien van politieke aspecten. Daardoor was het hen niet mogelijk professioneel bij te dragen aan een genuanceerde beeldvorming.

De woordvoering over het “friendly fire” incident is daarentegen een voorbeeld in goede zin. Eén zwaluw maakt echter nog geen zomer. Er lijkt een neiging te blijven bestaan om “geen commentaar” te geven als er nog geen absolute zekerheid bestaat over de toedracht of als er enige kans is op misverstanden daarover. In een tijd waarin het tempo van communicatie hoog is en de toegankelijkheid tot allerlei gedetailleerde informatie eenvoudig, heeft deze terughoudende en gesloten communicatiestrategie een negatief effect op de krijgsmacht. Het versterkt namelijk een publiek, en trouwens ook intern, beeld dat er “duistere zaken” zijn.

Uiteraard begrijp ik dat er sprake is van een zekere terughoudendheid in reactie en ik begrijp eveneens de noodzaak om zaken in een politieke context te wegen. Maar de geslotenheid van defensie, zoals deze door de media maar ook door de KVMO-leden wordt ervaren, leidt telkenmale tot een verstoord beeld over de integriteit van individuele militairen. Door een formele aanwijzing van uw Secretaris Generaal (A/848) is het personeel, en dus ook de militair, gebonden toestemming te vragen voor contact met de media.

De doelstelling ten aanzien van beleidsvorming begrijp ik, maar de aanwijzing wordt ook opgerekt richting de uitvoering. Daardoor ontstaan situaties waarbij militairen persoonlijk worden aangevallen en zij zich daar niet tegen kunnen of mogen verdedigen. Ook in het uitleggen van hun werk, van belang voor het maatschappelijk draagvlak, worden militairen op deze wijze beperkt. Dit alles is onnodig: de Nederlandse krijgsmacht heeft veel om trots op te zijn en dat komt juiste tot zijn recht als het moeilijk wordt. U doet zich daarbij, naar onze mening, ook als vakminister tekort. Het loyale en deskundige personeel is in de meeste gevallen zelfs uw grootste kracht.

Politiek kan dat uiteraard een keuze zijn, maar het heeft effecten op andere terreinen. Omdat “geen commentaar” ook een effect heeft op het gevoel en moreel van militairen acht de KVMO het haar plicht om u hierop te wijzen. De vorm van kritiek was ooit de belangrijkste reden waarom wij, 125 jaar geleden, zijn opgericht. De huidige gang van zaken is voor mijn leden een bron van onvrede. Het ondergraaft bovendien hun vertrouwen in de politieke en militaire leiding en bemoeilijkt daardoor het functioneren van uw ministerie.

De uitspraken van u en uw Staatssecretaris in interviews in het Marineblad zouden een basis kunnen vormen voor een andere aanpak. Eentje die officieren veel meer aanspreekt op hun professionaliteit. Zonder het politieke primaat ten aanzien van de krijgsmacht ter discussie te willen stellen vraag ik u daarom een drietal beleidszaken te heroverwegen.

- Ten eerste de reikwijdte van de aanwijzing SG (A/848) en in het bijzonder de toepassing ervan. Naar mening van de KVMO zou deze niet moeten gelden indien militairen naar buiten moeten of willen treden in zaken waarin zij persoonlijk worden aangevallen. Steun vanuit het ministerie is daarbij, vooral voor onervaren personeel, uiteraard aan te bevelen. Daarnaast zou in geval van informatie met professionele insteek deze aanwijzing uiterst terughoudend moeten worden toegepast. Over de mate waarin zijn spelregels te bedenken, waarbij de “gedragscode” voldoende houvast biedt.

- Ten tweede de onderlinge afspraken met het Openbaar Ministerie bij onderzoek naar bijzondere voorvallen. Vragen over oorzaak en gevolg zijn iets anders dan schuldvragen. Vanuit dat beginsel moet mogelijk zijn om informatie te verstrekken over incidenten zonder daarbij het werk van het OM te bemoeilijken. Ik meen dat de verbeterde relatie met het OM in de afgelopen jaren mogelijkheden daartoe biedt. Doel daarbij moet zijn het publiek te informeren op basis van het uitgangspunt dat militairen te vertrouwen zijn totdat het tegendeel is bewezen.

- Een meer actieve rol van de directie Voorlichting in het uitleggen van de complexiteit van het werk van militairen en defensiemedewerkers. Dat het schetsen van situaties van veel “grijstinten” niet goed past bij de mediawens tot “zwart-wit” benaderingen mag geen reden zijn om het niet te proberen. Daarbij is ons advies om meer gebruik te maken van de expertise van (al) uw officieren, bij voorkeur door het in beeld brengen van de hogere en opperofficieren. Zij zouden dit moeten kunnen.

Gaarne zou ik uw visie in deze ontvangen en ben daarbij immer bereid tot een nadere uitwisseling van gedachten, hoogachtend en met vriendelijke groet,

P. J. van Maurik Kapitein luitenant ter zee Voorzitter KVMO