Brief aan Vaste Commissie Defensie over AOW-gat

De GOV|MHB heeft door ABP berekeningen laten uitvoeren naar het AOW-gat voor burgerambtenaren en militairen. Op basis van die berekeningen is de volgende brief naar de Vaste Commissie Defensie van de Tweede Kamer gestuurd ter behandeling in de vergadering van die commissie op 27 januari 2016.

 

Tweede Kamer   

Den Haag, 21 januari 2016

Geachte leden van de Vaste Commissie Defensie,

 

Bij de vaststelling van de Defensiebegroting 2016 is door het lid Jasper van Dijk, op 12 november 2015, een motie over het dichten van het AOW-gat ingediend. In die motie wordt aandacht gevraagd voor een grote groep oud defensiemedewerkers die een aanzienlijke inkomensterugval ondervinden, veroorzaakt door een wetswijziging van de regering. De motie roept de regering op het AOW-gat te dichten door de

Uitkering Gewezen Militairen door te laten lopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

 

De afwijzing van deze motie heeft tot veel emotie en grote onrust geleid onder de getroffen, de (gewezen) militairen. Met deze brief vragen wij nogmaals uw aandacht voor wat nu zo anders is aan de situatie bij Defensie in vergelijking tot de rest van de overheid, en wat nu de precieze omvang van de inkomensterugval betreft.

 

Probleemstelling

Ten gevolge van langdurige bezuinigingen, en de hiermee gepaard gaande jarenlange reorganisaties, zijn duizenden defensiemedewerkers ontslagen. Indien zij geen nieuw werk gevonden hebben, ontvangen zij vanuit het Sociaal Beleidskader (sociaal plan) een bovenwettelijke uitkering tot de 65-jarige leeftijd, de datum waarop in het verleden het pensioen en de AOW-uitkering tot uitbetaling kwamen. Door de ophoging

van de AOW-leeftijd ontstaat er nu een inkomensgat. Vanwege de omvang van het aantal ontslagenen wegens overtolligheid speelt de kwestie van harmonisatie AOW-, pensioen- en ontslagdatum daarom bij Defensie met meer nadruk dan in andere sectoren.

 

Elders binnen de overheid zijn in ambtenarenreglementen de ontslagleeftijden van ambtenaren aangepast van 65 jaar naar de AOW-leeftijd. Die aanpassing geldt dan ook voor de einddatum van ontslaguitkeringen. Defensie weigert echter het reglement voor burgerambtenaren aan te passen.

 

Voorlopige voorziening Defensie

Om het verlies aan AOW-uitkering tussen 65 jaar en de AOW-leeftijd op te vangen hebben Defensie en de Centrales van Overheidspersoneel in 2015 een voorlopige voorziening ter grootte van de bruto AOW-uitkering afgesproken. Deze voorziening is ten koste gegaan van het arbeidsvoorwaardengeld. Defensie is niet bereid, in afwachting van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, andere verdergaande

oplossingen voor het AOW-gat te bespreken.

 

Inkomensterugval

Doordat het inkomen voorafgaande aan de AOW-leeftijd nog onderworpen is aan een hogere belasting- en premieheffing, valt het netto inkomen in die periode flink lager uit ten opzichte van de situatie waar de AOW-leeftijd op 65 jaar lag. De GOV|MHB heeft ABP gevraagd op basis van bestaande situaties, het verschil in netto inkomen in de periode van 65 jaar tot de AOW-datum en daarna aan te geven. Hierbij

wordt duidelijk dat het netto inkomensverlies, vanwege de hogere belasting- en premieheffing, voor Defensiemedewerkers op peildatum 1 januari 2016 kan oplopen tot € 530,-. Nagenoeg alle (gewezen) militairen met een AOW-gat worden getroffen door het maximale netto inkomensverlies van € 530,-. Voor de gedetailleerde berekening zie bijlage.

 

Oplossing AOW-gat

De definitieve oplossing die de GOV|MHB voor de burgerambtenaren nastreeft is aanpassen van de ontslagleeftijd aan de AOW-leeftijd en het verlengen van de ontslaguitkeringen bij Defensie tot de AOW-datum, zoals ook in andere overheidssectoren is gebeurd. In de vele (rechts)zaken die al spelen in wachtgeld- en bovenwettelijke WW-zaken heeft het College voor de Rechten van de Mens steeds leeftijdsdiscriminatie geoordeeld. Ook veel rechters bij rechtbanken hebben reeds leeftijdsdiscriminatie geoordeeld en in sommige gevallen heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien, d.w.z. de uitkering doorgetrokken tot AOW-datum.

 

Voor militaire ambtenaren speelt de bijzondere positie van de militaire ambtenaar (Militaire Ambtenarenwet), een belangrijke rol. De pensioenleeftijd van een militair hangt samen met het eerdere functioneel leeftijdsontslag van een militair dat is afgestemd op de fysieke en mentale eisen die worden gesteld aan een militair. De militair kan zijn pensioen niet eerder of later laten ingaan, dat is door de werkgever bepaald op 65 jaar. De militair draagt dus ten volle de negatieve inkomensconsequenties van de verschoven AOW-datum.

 

De oplossing die de GOV|MHB voor de militaire ambtenaren nastreeft ligt door de bijzondere positie van de militair ingewikkelder. Het algemene beleid om de AOW-leeftijd te verhogen heeft voor Defensie en haar militairen ingrijpender gevolgen dan voor de burgerambtenaren. Hier spelen de bovengenoemde fysieke en mentale eisen een rol. De oplossing moet dan ook worden gevonden in de door de Tweede Kamer

onderschreven ‘Bijzondere positie militair’ omdat algemeen beleid bedoeld voor de werknemer bij overheid en onderwijs niet altijd passend is voor de militair en derhalve nadelig voor hem kan uitpakken.

Voor de verdere toekomst is er in 2015 een arbeidsvoorwaardelijke beginselafspraak gemaakt over het harmoniseren van de militaire pensioendatum, de AOW-datum en de functionele ontslagdatum die daarop aan gaat sluiten. Er is echter nog een grote groep oudere militairen die reeds is ontslagen en een ontslaguitkering ontvangt tot 65 jaar, en een andere groep die nog in actieve dienst is en rechten ontleent aan een pensioenleeftijd van 65 jaar. Voor deze groepen militairen blijft het AOW-gat een financieel probleem dat groter wordt naarmate de tijd vordert. Het College voor de Rechten van de Mens heeft het stoppen van de militaire ontslaguitkering op 65 jaar reeds als leeftijdsdiscriminatie beoordeeld. Er speelt een reeks aan rechtszaken. Evenwel heeft nog geen rechter uitspraak gedaan in een militaire AOW-gat zaak.

 

Tot slot

De GOV|MHB is van mening dat de weeffout in de AOW-wetgeving voor het defensiepersoneel grote financiële gevolgen heeft. Een weeffout die niet voor het eerst (bijvoorbeeld bij de WUL) gedeeltelijk wordt gerepareerd vanuit arbeidsvoorwaardelijk geld. Geld dat dus niet kan worden gebruikt voor arbeidsvoorwaarden voor het defensiepersoneel.

 

De GOV|MHB onderschrijft de stellingname, in de eerder genoemde motie Van Dijk, dat het Kabinet dient zorg te dragen voor de reparatie van het AOW-gat. Het is immers de minister van Financiën die de revenuen van het ophoging van de AOW-leeftijd heeft ontvangen. Vanuit deze inkomsten dient dan ook de reparatie te worden betaald.

 

Vertrouwende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd, verblijf ik,

 

Met vriendelijke groet,

 

 

M. de Natris

Duovoorzitter CMHF-sector Defensie