(Voorlopig) wint de GOV|MHB van defensie en de belastingdienst

In het Prodef-bulletin van maart 2018 is een artikeltje opgenomen over ‘Dwangsom en loonbelasting’. Hoe zit het ook al weer:

Als een burger een verzoek indient bij de overheid heeft hij recht op een antwoord binnen een bepaalde termijn. Dit staat in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vooral Defensie overschrijdt deze termijn regelmatig. Als dit gebeurt kan de betrokkene een ‘ingebrekestelling’ sturen. Hierna heeft de overheid (en dus ook Defensie) nog veertien dagen de tijd om tot een besluit te komen. Wanneer dat niet lukt is het betreffende orgaan een dwangsom aan betrokkene verschuldigd. Dit bedrag kan oplopen van 20 tot 1260 euro. In de afgelopen jaren was Defensie op die manier per jaar ongeveer € 200.000 aan dwangsommen kwijt. Sinds 2012 menen Defensie en de Belastingdienst dat deze dwangsommen moeten worden gezien als belast loon. Daarom wordt er bij het uitbetalen belasting op ingehouden.

De GOV|MHB is het met deze zienswijze niet eens en daarom zijn er een tweetal proefprocedures aangespannen. De bezwaren en de beroepen in deze zaken zijn ongegrond verklaard en op 13 maart j.l. zijn de hoger beroepen in beide proefprocedures bij het Gerechtshof in Amsterdam behandeld. Op 20 maart jl. heeft het Hof uitspraak gedaan en recent is de uitspraak toegezonden. Het Gerechtshof heeft de klagers, en dus ook de GOV|MHB, gelijk gegeven: de uitspraak van de Rechtbank Haarlem is vernietigd.

Het Hof is niet ingegaan op het verschil tussen de werkgever en het bestuursorgaan, waar in onze procedure veel nadruk is gelegd, maar wel op het algemene recht van een verzoeker tegenover een bestuursorgaan (in deze gevallen de Minister en CZSK). Dat recht maakt volgens het Hof geen deel uit van de arbeidsvoorwaarden.

Het Hof zegt letterlijk: “De dwangsom die aan belanghebbende is toegekend vindt zijn oorzaak in de omstandigheid dat een bestuursorgaan in gebreke is gebleven tijdig op het door hem gemaakte bezwaar te beslissen. Belanghebbende heeft recht op de dwangsom in zijn hoedanigheid van maker van bezwaar. Een dergelijke bate vindt naar het oordeel van het Hof niet zozeer zijn grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten loon dient te worden aangemerkt. De omstandigheid dat de rechtspositie van belanghebbende als (militair) ambtenaar meebrengt dat de afhandeling van zijn bezwaar volgens de regels van de Awb verloopt, rechtvaardigt niet een ander oordeel.”

Omdat het Gerechtshof hier een rechtsvraag heeft beantwoord en geen feiten-vraag moeten we er van uit gaan dat de Belastingdienst cassatie bij de Hoge Raad in zal gaan stellen, om bij die instantie nogmaals over deze rechtsvraag te oordelen. Over zeven weken zullen we weten of dat het geval is.