Regelmatig roept de GOV|MHB op om ontvangen Uniforme Pensioenoverzichten (UPO’s) goed te controleren. De transitie naar de nieuwe pensioenregeling heeft namelijk tot gevolg dat alle oude rechten van één collectief geheel naar individuele pensioenpotjes worden omgezet. Vanzelfsprekend is het van belang dat de oude situatie goed bekend is, zodat men alles correct meeneemt naar het nieuwe systeem. Hoewel de GOV|MHB blij is dat men hieraan gehoor geeft, blijkt deze oproep in toenemende mate weer te leiden tot onbegrip.
Zo viel onlangs een UPO in de mailbox met een zoals gebruikelijk getoond opgebouwd pensioenbedrag en het bedrag dat zal worden bereikt indien tot 65-jarige leeftijd is doorgewerkt:

Het getoonde opgebouwde pensioen is het bedrag dat tot 2024 is opgebouwd. Het te verwachten pensioenbedrag stijgt, omdat betrokkene ook de komende drie jaar nog pensioen zal opbouwen via de gebruikelijke premie-inleg.

Een UPO toont ook de te verwachten pensioenen bij veranderende omstandigheden, de zogenaamde mooi weer- en slecht weer scenario’s.
Dat levert in dit UPO verrassende uitkomsten op. Het te verwachten resultaat na extra jaren werken – dus met extra opbouw de komende jaren – daalt!

Vanzelfsprekend is het te verwachten pensioen bij ‘slecht weer’ lager, maar dat extra werken ook nog een lager te verwachten resultaat geeft roept vragen op.
De door het ABP geleverde uitleg laat een kijkje onder de motorkap zien. Daar zit het deel waar de pensioentechneuten in beeld komen; de wereld van de actuarissen en hun rekenwerk. Om het allemaal nog ingewikkelder te maken, is er helaas geen sprake van één feitelijke waarheid. Om de temperatuur te meten gebruiken we thermometers en die zullen allemaal, als ze goed zijn afgesteld, dezelfde temperatuur laten aflezen. Bij pensioenberekeningen maakt men gebruik van rekensets, met onder andere aannames van hoe de economie zich zal gaan ontwikkelen. Daardoor kunnen andere verwachtte uitkomsten ontstaan. Immers, die aannames worden gebruikt voor de rekensommen. Het ABP maakt bij berekeningen gebruik van door henzelf ontwikkelde rekensets, met economische verwachtingen die al dan niet rooskleuriger kunnen zijn dan bijvoorbeeld de aannames bij een ander pensioenfondsen. ‘Vergelijken we dan appels met peren?’, zo vroeg ik eens aan een actuaris. ‘Eigenlijk wel’, was het eerlijke antwoord, ‘en de uitkomsten zijn ook nog beïnvloedbaar door de aannames wat aan te passen’.
Om vergelijk van UPO’s toch mogelijk te maken, is er één vaste manier waarop iedereen de pensioenen toont. De Nederlandsche Bank (DNB) schrijft voor welke rekenset gebruikt moet worden bij deze verplichte pensioencommunicatie. Als partners hun UPO’s vergelijken – ook al bouwen ze pensioen op bij verschillende pensioenfondsen – zijn daar in ieder geval dezelfde economische aannames voor gebruikt.
Terug naar de toegezonden UPO. Het eerste getoonde bedrag is het zogenoemde ‘nominale bedrag’. Hierin wordt geen rekening gehouden met toekomstige indexaties, wel met toekomstige premie-inleg en pensioenopbouw. Het tweede bedrag, de ‘economische weer-scenario’s’, zijn zogeheten reële bedragen. Hierin is wel rekening gehouden met verwachte toekomstige indexaties, maar ook met inflatie. In deze bedragen wordt een koopkrachteffect getoond. Deze berekeningen zijn op basis van de verplichte DNB-rekenmethodiek.
'De verwachting is dat de prijzen in de komende jaren weer zullen stijgen en daarmee is ook een behoorlijke indexatie nodig om die inflatie volledig te kunnen compenseren'
Om het pensioen koopkrachtig te houden en welvaartsvast, zoals we dat noemen, hebben we indexatie nodig. Velen weten dat dit bij het ABP helaas niet altijd mogelijk was en de gemiste in
dexatie is opgelopen tot bijna 20%, ondanks de hoge indexatie van 2023. Het ABP mag volgens de huidige wetgeving, het financieel toetsingskader (FTK), pas volledig indexeren als de dekkingsgraad hoog genoeg is. Dit is bij de gebruikte DNB-rekenset pas het geval bij ongeveer 135%. De verwachting is dat de prijzen in de komende jaren weer zullen stijgen en daarmee is ook een behoorlijke indexatie nodig om die inflatie volledig te kunnen compenseren. De verwachting is tevens dat dit niet gaat gebeuren. De scenarioset van DNB houdt rekening met een gemiddelde inflatie van circa 9% over een periode van drie jaar. Omdat deze inflatie naar verwachting niet middels indexatie opgevangen kan worden, geeft het model aan dat er koopkrachtverlies op zal treden. Daarmee zakt dan ook het te verwachten pensioenbedrag op pensioendatum. De euro’s zelf zijn dus niet verdwenen, maar de koopkracht neemt af doordat hetgeen betrokkene kan kopen met die euro’s veel duurder geworden is.
Al met al wordt het er allemaal niet begrijpelijker op aangezien de getoonde bedragen niet met elkaar te vergelijken zijn. Het ABP geeft in een reactie aan dat ze, binnen de mogelijkheden van het voorgeschreven UPO-model, zullen kijken of er een toelichting bij de mooi weer- en slecht weer scenario’s in het UPO kan komen. De wettelijk verplichte communicatie zal daardoor niet veranderen, maar mogelijk dat er wel extra uitleg kan komen.
Vragen naar aanleiding van dit artikel?





