Rechtbanken doen uitspraken over pensioenregeling militairen. ABP wordt teruggeroepen.

Op 21 november 2018 hebben de Rechtbanken van Amsterdam en Den Haag een uitspraak gedaan in de kortgedingen die de bonden (Centrales AC, ACOP en vakbonden AFMP, Marver, VBM en ACOM) tegen het ABP en Defensie hadden aangespannen. Inzet van het kortgeding tegen het ABP was om een uitspraak te doen over het voornemen van het ABP om in te grijpen in de pensioenregeling voor militairen. Bij het kortgeding tegen Defensie betrof het een uitspraak over de juridische uitleg van de pensioenafspraken die in oktober 2017 zijn gemaakt.

Uitspraak Defensie
De bonden hadden voor de rechtbank geëist dat ook na 31 december 2018 de pensioenregeling voor militairen als eindloonregeling wordt uitgevoerd en dat de backservice daar onderdeel van zou blijven. Defensie stelde zich in het kortgeding op het standpunt dat de pensioenafspraken van oktober 2017 impliceren dat, na het overgangsjaar 2018, er per 1 januari 2019 een middelloonregeling zou gelden. De kantonrechter kwam tot het oordeel dat, als uitvloeisel van de pensioenafspraken van oktober 2017, er vanuit gegaan moet worden dat per 1 januari 2019 een middelloonstelsel geldt. De vordering van de bonden tegen Defensie is daarmee afgewezen.

Uitspraak ABP
De rechtbank Amsterdam stelde de bonden in een uitgebreid vonnis wel in het gelijk. Het ABP moet stoppen met communiceren dat er vanaf 1 januari 2019 een middelloonregeling geldt. Ook bepaalde de rechter dat het ABP onterecht stelt dat zij niets anders kan uitvoeren dan een middelloonregeling. Het ABP wordt afgerekend op het feit dat het herhaaldelijk heeft geweigerd om de ICT van de eindloonregeling structureel in te richten. De rechter acht het ook niet aannemelijk dat het ABP niets anders kan uitvoeren dan een middelloonregeling. Als sociale partners een verlenging van de overgangsregeling van 2018 zouden overeenkomen dient het ABP dit uit te voeren.

GOV|MHB
De uitspraak van de rechtbank Den Haag is teleurstellend voor de bonden. Hoewel wij niet aan het kort geding deelnamen steunden wij het wel en betreuren wij het dat de rechter heeft geoordeeld dat de pensioenafspraken van 2017 ertoe leiden dat er vanaf 1 januari 2019 een middelloonregeling is. Ook wij zijn er nog steeds van overtuigd dat dit nooit de (intentie van) de afspraak is geweest. De verwoording toen van de pensioenafspraken en het vastleggen van de afspraken in het pensioenreglement dienden het doel van het gezamenlijke compromis, de uitdrukking van de gezamenlijke intentie en niet de juridische toetsing van een rechter. Dit zullen wij zeker voor toekomstige afspraken nu helaas gaan meenemen. Het is evident dat dit het in de toekomst nog lastiger zal maken om afspraken te maken. Ons vertrouwen is misplaatst gebleken.

De uitspraak van het kort geding tegen het ABP stelde de bonden in het gelijk en daarmee is de weg vrij om met defensie nieuwe afspraken over een overgangsregeling te maken totdat we een definitieve pensioenregeling overeengekomen zijn. Door de uitspraak heeft het ABP geen argumenten meer om deze regeling niet uit te voeren en zich op het standpunt te stellen dat er geen andere optie is dan een middelloonregeling. Wij roepen Defensie dan ook op om alsnog in te gaan op ons verzoek om de huidige overgangsregeling door te zetten totdat we een definitieve regeling overeengekomen zijn. Daarmee zou de weg naar onderhandelingen over een betere cao open liggen en kunnen we hopelijk snel tot de broodnodige resultaten komen waar het personeel recht op heeft. De kans ligt nu voor het grijpen.

Defensie heeft op intranet al gereageerd op de uitspraak van de rechtbank Den Haag. Zij stelt daarin dat de rechter oordeelt dat de afspraken uit 2017 betekenen dat er per 1 januari 2019 een middelloonregeling van toepassing is. Defensie meldt in het bericht niet dat de rechtbank in Amsterdam het ABP in het ongelijk heeft gesteld en dat dit de weg vrij maakt om tot nieuwe afspraken over een overgangsregeling in 2019 te komen.