De bijzondere positie van de militair: Draagvlak vereist aandacht!

Regelmatig wordt de CMHF-sector Defensie in het Georganiseerd Overleg geconfronteerd met de ongewenste gevolgen van aanpassingen van wet- en regelgeving. Het betreft dan veelal algemene wet- en regelgeving, dus voor iedere Nederlander of werknemer, die voor de militair extra negatief uitpakt vanwege de bijzondere positie die de militair heeft als werknemer in Nederland.
Een nadere beschouwing leert dan vaak dat de bijzondere positie van de militair volledig is genegeerd in de uitwerking van deze wet- en regelgeving.
 
Een voorbeeld: de WUL
Een goed voorbeeld hiervan is de WUL-problematiek die tot op de dag van vandaag voortduurt.
Dit valt het best te omschrijven aan de hand van een brief van minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Asscher aan de Tweede Kamer van 20 december 2013.
Een brief n.a.v. de evaluatie van de Wet Uniformering Loonbegrip (WUL) waarbij de Kamer, in de motie Groot, de regering verzocht om lessen te trekken uit de gang van zaken rond de invoering van de WUL.
In deze brief schrijft minister Asscher dat het kabinet een duidelijke communicatie voor staat. Tevens wordt in deze brief , mede namens Staatssecretaris van Financiën Weekers, aangegeven hoe het kabinet invulling geeft aan de motie Groot. Als laatste informeert minister Asscher met deze brief de Kamer over de loonstrookjeseffecten voor 2014.
 
Geen aandacht voor de bijzondere positie van de militair
Een voorbeeld uit de brief waaruit blijkt dat de bijzondere positie van de militair volledig wordt ‘vergeten’.
Minister Asscher schrijft: “Bij grote vereenvoudigingsoperaties is het een belangrijke les dat het van essentieel belang is te laten zien dat verschillende maatregelen met elkaar samenhangen en niet zonder consequenties losgekoppeld kunnen worden. Het ophogen van de premiegrens voor de Zorgverzekeringswet leidde tot een lagere premie en gaf mensen met een laag en middeninkomen een voordeel. Doordat deze maatregel (het zoet) al in 2012 was ingevoerd, werd het evenwicht dat in dat wetsvoorstel door het aanvullend pakket was bewerkstelligd, verstoord. De invoering van de wet per 2013 ging hierdoor gepaard met meer zuur dan was voorzien bij indiening van de wet.”
 
Geen woord over het feit dat de militair is uitgezonderd van de zorgverzekeringswet en dus ‘het zoet’ in 2012 niet heeft mogen ontvangen.
 
Een tweede voorbeeld:
Minister Asscher schrijft: “In de bijlage zijn de loonstrookjeseffecten voor enkele groepen in kaart gebracht. Het gaat daarbij om werknemers in de markt, AOW-gerechtigden en uitkeringsgerechtigden.” Hierbij is gerekend met o.a. de volgende aanname:
- Bij de pensioenpremie voor werknemers is aangenomen dat deze in 2014 constant blijft. Dit is conform de decemberraming van het CPB voor werknemers in de markt. Onder andere bij ambtenaren ligt de pensioenpremie in 2014 aanzienlijk lager dan in 2013, waardoor het loonstrookjeseffect voor hen positiever zal uitpakken.
 
De minister ‘vergeet’ hierbij gemakshalve dat deze aanname niet opgaat voor de militaire ambtenaar, die vanwege de bijzondere positie, een andere pensioenvorm heeft. Een pensioenvorm waarbij de premie voor 2014 niet aanzienlijk lager is dan in 2013.
 
Ditzelfde komt terug bij ‘de belangrijkste uitkomsten’, zoals minister Asscher die beschrijft.
Hier staat o.a. opgenomen:
- De loonstrookjeseffecten liggen over het algemeen in lijn met de koopkrachteffecten voor de verschillende groepen, als rekening wordt gehouden met inflatie (raming CPB: 1 ½%), bezuinigingen rond de zorgtoeslag, een fors lagere zorgpremie en een nog te verwachten loonontwikkeling bij werknemers (raming CPB: 1 ½%).
 
Ook hier vergeet minister Asscher dat de militair is uitgezonderd van de zorgverzekeringswet. Maar daarbij komt ook nog dat voor alle ambtenaren in 2014 een budgettaire nullijn geldt. De genoemde ‘nog te verwachten loonontwikkeling bij werknemers’ van 1,5% gaat voor hen dus (ook) niet op.
Per saldo levert de militair dus fors in op de gepresenteerde koopkrachtplaatjes.
 
Conclusie
Het beroep van militair kent, vanwege de bijzondere eisen die daaraan worden gesteld, bijzondere rechten en plichten: de bijzondere positie. Deze bijzondere positie wordt echter veelal ‘vergeten’ wanneer door de verschillende departementen nieuwe wetten en regelgeving worden uitgedacht. Maar ook door het Kabinet en de Eerste en Tweede Kamerleden, met alle (negatieve) gevolgen van dien.
Het is daarom in het belang van elke militair om deze bijzonder positie, daar waar mogelijk, voor het voetlicht te brengen én te houden. Anders draait de militair (zelf) op voor de ‘vergeetachtigheid’ van de niet-militaire beleidsmakers en parlementariërs!
 
 
Lees hier de hele brief van minister Asscher>>>