Inzetbrief Defensie

Hedenmorgen hebben de voorzitters en onderhandelaars van de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel uit handen van minister van Defensie Hennis-Plasschaert de defensie-inzetbrief voor het arbeidsvoorwaardenoverleg ontvangen.
Na de ontvangst van de defensie-inzetbrief zijn er afspraken gemaakt over de eerste bijeenkomst voor de inhoudelijke behandeling van de inzetbrieven.

 

Met de ontvangst van de inzetbrief van de zijde van de werkgever is er formeel een aanvang gemaakt met het arbeidsvoorwaardenoverleg.

 

Kijk hier voor de defensie-inzetbrief>>>

 

Appreciatie GOV|MHB
De lijn die de minister kiest in haar inzetbrief sluit aan op de gezamenlijke inzetbrief van de Samenwerkende Centrales: Loonontwikkeling en het zetten van concrete stappen m.b.t. de Agenda van de Toekomst.
En net als de Samenwerkende Centrales verkiest de minister daarbij een gefaseerd traject boven het uitonderhandelen van alle onderwerpen, alvorens te komen tot één nieuw arbeidsvoorwaardenakkoord.

 

De inzet van de minister is: een krijgsmacht met een houdbaar en modern arbeidsvoorwaardenstelsel, gericht op een optimale inzet van de militair en het functioneren van de krijgsmacht.
De GOV|MHB mist hierin wel een essentieel element: gemotiveerd personeel en de hiermee samenhangende gevulde organisatie. Zonder gemotiveerd personeel zal er immers nooit sprake zijn van een optimale inzet laat staan een gevulde organisatie.

 

De GOV|MHB is daarom van mening dat, na de jarenlange nullijn, de eerste prioriteit bij het deelakkoord loonontwikkeling zal moeten liggen. Ook voor het personeel geldt immers dat zij met deze loonontwikkeling het ‘thuisfront’ beter en optimaler kan laten functioneren.

 

De GOV|MHB constateert, net als de minister, dat Defensie door maatschappelijke ontwikkelingen steeds verder onder druk komt te staan. Deze maatschappelijke ontwikkelingen hebben veelal tot gevolg dat Defensie steeds vaker een beroep moet doen op de bijzondere positie van de militair om Defensie optimaal te kunnen laten functioneren en het personeel optimaal in te zetten. De GOV|MHB vindt het dan ook vreemd om te constateren dat Defensie aan de ene kant steeds meer de ‘lasten’ voor het personeel verhoogd, door steeds meer uitzonderingen van haar personeel te eisen, maar dat hier vanwege maatschappelijke ontwikkelingen het defensiepersoneel de ‘lusten’ van ‘het militair zijn’ moet inleveren. De GOV|MHB is dan ook zeer benieuwd hoe de minister tijdens de onderhandelingen een balans in deze tegenstrijdigheden wenst te gaan vinden.

 

Net als de minister is de GOV|MHB van mening dat, gezien de onderwerpen, de onderhandelingen niet eenvoudig zullen zijn. Hierbij heeft de GOV|MHB op voorhand nog wel enige twijfels bij de positieve overtuiging van de minister dat de partijen deze weg succesvol kunnen afleggen. Veel zal daarbij afhangen van de mate waarin de minister de daad bij het woord voegt wanneer het gaat over de erkenning en waardering, in al zal zijn facetten, voor het belangrijkste kapitaal van Defensie: het defensiepersoneel.