De vereniging voor professionals bij Defensie
Achtergrond_Home.jpg
5. Cartoon nieuwjaarsbingo

Cartoons

Bovensectoraal akkoord

  • ‘Loonakkoord’ op losse schroeven door ABP?

    Verschillende media melden woensdag 7 oktober dat het ‘Loonakkoord’ op losse schroeven zou staan. Omdat ABP hier een streep door zou zetten.
    Dit is niet het geval.
    Het ‘Loonakkoord’ staat!

     

    Wat is wel het geval?
    Jaarlijks moet het ABP-bestuur de kostendekkende premie voor het volgende jaar vaststellen. Deze kostendekkende premie zorgt er voor dat ABP de pensioenen naar de toekomst toe kan blijven uitbetalen.
    De hoogte van deze kostendekkende premie is afhankelijk van vele factoren en wordt o.a. bepaald door de rekenregels en overige eisen van De Nederlandse Bank, die voor elk pensioenfonds gelden.
    De Sociale Partners – Centrales en Overheidswerkgevers - hebben hier geen invloed op.

     

    Door de huidige financiële situatie van ABP, o.a. als gevolg van de lage (reken)rente en de tegenvallende resultaten op beleggingen, voorziet het ABP-bestuur dat de premie voor 2016 moet gaan stijgen. Zonder deze premiestijging voldoet ABP niet meer aan de eisen die de DNB stelt en zouden wellicht maatregelen moeten worden genomen die negatief uitpakken voor het ambitieniveau van de pensioenen.
    De nu genoemde premiestijging betreft echter een verhoging van de premie zoals deze was voorzien voor 2016 als gevolg van het loonakkoord. Anders gezegd: Een minder lagere premie dan was voorzien. Vooralsnog is de verwachting namelijk nog steeds dat de procentuele premie voor 2016 lager uit gaat vallen dan de procentuele premie die nu, in 2015, wordt betaald.

     

    Voor de defensiemedewerker betekent dit dat er in dat geval (nagenoeg) geen sprake zal zijn van een premiedaling t.o.v. 2015, maar dus niet van een premiestijging.
    Voor de werkgever Defensie betekent dit echter wel extra kosten. De vrijvallende pensioenpremie als gevolg van het ‘Loonakkoord’ is immers uitgedeeld in de vorm van een inkomensverbetering. (Door sommigen wel ‘een sigaar uit eigen doos genoemd’.)
    De werkgever Defensie zal dan ook van het Kabinet extra geld moeten krijgen om de, door het ABP-bestuur voorziene, premiestijging te kunnen betalen.

     

    Conclusies:
    - De in het bovensectorale ‘Loonakkoord’ overeengekomen inkomensverbetering staat en gaat gewoon door.
    - Indien de procentuele pensioenpremie voor 2016 (nagenoeg) gelijk blijft aan die van 2015, zal het Kabinet de werkgever Defensie extra geld moeten geven.
    Daarmee betaalt het Kabinet dan alsnog de gehele inkomensontwikkeling uit het bovensectorale ‘Loonakkoord’.

     

  • Bovensectoraal akkoord over loonsverhoging voor o.a. defensiepersoneel (UPDATE)

    Het Kabinet en de Centrales van Overheidspersoneel hebben overeenstemming bereikt over een loonsverhoging voor o.a. rijksambtenaren, leraren, politie én defensiepersoneel.

     

    Inkomensontwikkeling
    Het principeakkoord betekent dat ambtenaren in 2015 een inkomensontwikkeling kennen van 2,05% + een eenmalige uitkering van € 500,-
    Hiervan is voor (o.a.) defensiemedewerkers 0,8% (met terugwerkende kracht) reeds toebedeeld per 1 januari 2015. De overige 1,25% en de eenmalige uitkering volgen m.i.v. september 2015.
    Voor 2016 geldt een inkomensontwikkeling van 3,0% per 01 januari 2016.

     

    Bovensectoraal overleg
    De CMHF (de Centrale waarbij o.a. de GOV|MHB is aangesloten) en de overige Centrales van Overheidspersoneel hebben afgelopen weken met vertegenwoordigers van het kabinet de arbeidsvoorwaardenruimte voor overheidspersoneel verkend. Deze verkenningen hebben op vandaag, vrijdag 10 juli, geleid tot een onderhandelaarsovereenkomst loonruimte publieke sector 2015/2016 tussen drie van de vier Centrales en overheids- en onderwijswerkgevers.
    Alleen de Centrale ACOP – de Centrale van de FNV-bonden – kon niet instemmen.

     

    In de onderhandelaarsovereenkomst zijn afspraken over de arbeidsvoorwaardenruimte vastgelegd. Het gaat hierbij om loonafspraken in alle kabinets- en onderwijssectoren. Ook de UMC's en decentrale sectoren zoals gemeenten, provincies en waterschappen, zijn bij deze afspraken betrokken.

     

    Met de overeenkomst wordt meer dan 1 miljard euro geïnvesteerd in de lonen van werknemers in de publieke sector. Dit betekent, na een jarenlange nullijn, meer dan 5 procent loonstijging in 2015 en 2016.

     

    De inkomensontwikkelingen werken een op een door in een hogere pensioengrondslag en daarmee een hogere pensioenopbouw.
    De inkomensontwikkeling over 2015 komt voor 0,8 procent uit het akkoord over de aanpassing van de ABP-regeling van vorig jaar. De onderhandelaarsovereenkomst bevat twee nieuwe afspraken over het ABP-pensioen:

    • Het wordt vanaf 1 januari 2016 de ambitie de pensioenen aan te passen aan de prijzen in plaats van aan de lonen. In de komende jaren zal open en reëel overleg worden gevoerd over een houdbare pensioenambitie voor de lange termijn. Daarbij wordt de mogelijkheid om weer terug te keren naar loonindexatie uitdrukkelijk betrokken.
    • Er worden tot 1 januari 2021 geen premieopslagen geheven bovenop de verplichte kostendekkende premie.

    Beide veranderingen samen leiden tot een verlaging van de werkgeverspremie, waaruit 1,4 procent van de loonruimte over 2016 wordt gefinancierd.

     

    GOV|MHB
    De GOV|MHB is blij dat het Kabinet – uiteindelijk – besloten heeft om geld vrij te maken voor het verbeteren van de lonen van ambtenaren.
    V.w.b. de maatregelen die het pensioen raken is de GOV|MHB positief kritisch in het licht van de aangekondigde aanpassingen van zowel het militaire als burgerlijke pensioenstelsel, maar zal deze ontwikkelingen blijven volgen.
    In zijn totaliteit is de GOV|MHB dan ook positief gestemd over dit principeakkoord.
    Ambtenaren verdienen nu beter.

     

    Met dit principeakkoord is de loonruimte vanuit het Kabinet ingevuld tot en met 31 december 2016.
    Dit principeakkoord staat echter los van het arbeidsvoorwaardenoverleg binnen de overlegsector Defensie m.b.t. het gesloten deelakkoord. Dit principeakkoord geeft Defensie en de Centrales binnen de sector Defensie nu meer lucht om rustig na te denken over de invulling van de afspraken uit het eerste deelakkoord en de inzetbrief van de Centrales. Defensie heeft immers tot en met 31 december 2016 geen loonruimte meer over om de resterende afspraken in het eerste deelakkoord te effectueren. Tenzij de minister van Defensie en/of de Centrales nog ergens geld weten te vinden.

     

    Gezien het reces en de korte reactietijd die het Kabinet biedt om te reageren op het nu gesloten principeakkoord heeft het bestuur van de GOV|MHB besloten niet het land in te gaan om de mening van de leden te vernemen.
    Desondanks is de GOV|MHB natuurlijk wel zeer geïnteresseerd in de mening van de leden!
    Geef daarom uw mening, voor 10 augustus!

     

    Reageer op o.v.v. Principeakkoord loonsverhoging én uw lidmaatschapsnummer.

     

  • CMHF-sector Defensie stemt in met ‘Loonakkoord'

    De afgelopen weken hebben de verschillende vakbonden, die samen de CMHF-sector Defensie vormen, hun leden geraadpleegd over het bovensectorale ‘Loonakkoord’.
    Een overgrote meerderheid van de leden gaf aan in te stemmen.
    Voor de instemming van de CMHF-sector Defensie is daarbij wel van belang dat zowel de structurele als de incidentele inkomensontwikkeling in 2015 en 2016 een volledige doorwerking kent naar de wachtgeld-, UKW- en FLO-uitkeringen van het gewezen defensiepersoneel.

     

    Waardering
    Vooral de verscheidenheid aan informatie maakte de beslissing niet eenvoudig(er).
    Veel van de leden (maar ook niet-leden) gaven aan waardering te hebben voor de open, eerlijke en duidelijke uitleg over hetgeen het ‘Loonakkoord’ inhoudt. Zowel waar het gaat over de herkomst van de verschillende elementen van de loonsverhoging , als over hetgeen het ‘Loonakkoord’ kan betekenen voor de pensioenen.

     

    Kritische punten
    Toch zijn er (terecht) ook kritische punten aan de verschillende besturen meegegeven.
    Punten die weliswaar niet direct met het ‘Loonakkoord’ van doen hebben, maar zeker de aandacht behoeven.
    Zo zijn de gepensioneerde leden blij voor de actief dienenden dat deze er na vele jaren nullijn eindelijk weer iets op vooruit gaan, maar wijzen er tegelijkertijd op dat de pensioenen al vele jaren ‘stil’ staan.
    Ook wijzen veel militairen er op dat naast de nu voorliggende loonsverhoging voor alle ambtenaren in het bovensectorale Loonakkoord, de erkenning en waardering voor de Bijzondere Positie van de militairen (op de sectorale overlegtafel) nog geadresseerd dient te worden.
    Daarnaast geven zij het signaal af dat de onvrede over het gebrek aan munitie, reserveonderdelen en kleding, maar ook het grote aantal vacatures, de op een goede wijze invulling geven aan het militair zijn zwaar hindert.

  • De zes meest gestelde vragen over het bovensectorale ‘Loonakkoord’

    Op 9 juli sloten de onderhandelaars van de overheidswerkgevers en drie van de vier Centrales van Overheidspersoneel een bovensectoraal onderhandelaarsakkoord. In de media het ‘Loonakkoord’ geheten.
    Hierop verscheen er een grote hoeveelheid aan – soms tegenstrijdige – uitleg van dit loonakkoord in de media en op de websites van de Centrales en de bijbehorende vakbonden.
    Logisch dus dat hier vragen over binnen kwamen bij de vakbonden die vallen onder de CMHF-sector Defensie: de GOV|MHB, KVMO, KVNRO, NOV & ODB.


    De antwoorden op de zes meest gestelde vragen staan hieronder toegelicht.

    NB. Op het moment van schrijven is de achterbanraadpleging nog gaande.
    Waar van toepassing zijn de antwoorden gegeven in de verwachting dat de achterban van de verschillende Centrales én van de overheidswerkgevers zullen instemmen met het loonakkoord.

     

    1. Is de loonsverhoging voor het defensiepersoneel met dit loonakkoord een feit?
    Nee.

    Dit loonakkoord betreft slechts een onderhandelaarsakkoord op bovensectoraal niveau.
    Pas nadat de leden van de drie Centrales, die dit onderhandelaarsakkoord met de overheidswerkgevers zijn overeengekomen, hebben ingestemd is er sprake van een daadwerkelijk akkoord met bindende afspraken.
    Deze bindende afspraken dienen dan nog te worden vertaald in afspraken op de overlegtafels van de verschillende overheidssectoren. Het is namelijk binnen de overlegsectoren zelf dat arbeidsvoorwaardelijke afspraken worden vastgesteld.
    Voor Defensie houdt dit in dat in het Sector Overleg Defensie de afspraken uit het loonakkoord worden vertaald in de arbeidsvoorwaarden van het defensiepersoneel.
    Pas wanneer Defensie en de bonden deze afspraken hebben vastgelegd in een arbeidsvoorwaardenakkoord voor de sector Defensie zijn deze een feit.
    Omdat de afspraken in het loonakkoord zeer specifiek zijn, hoeft een arbeidsvoorwaardenakkoord voor de sector Defensie echter niet lang op zich te laten wachten.

     

    2. Waarom zie ik in het loonakkoord niets terug van de Bijzondere Positie van de militair?
    Het bovensectorale loonakkoord betreft uitsluitend afspraken die alle ambtenaren betreffen. Afspraken t.b.v. specifieke categorieën ambtenaren – zoals militairen – dienen te worden gemaakt op de overlegtafels van de specifieke sectoren.

    In theorie is het overigens wel mogelijk om in een bovensectoraal akkoord afspraken te maken voor specifieke categorieën ambtenaren. De dynamiek van het bovensectorale onderhandelingsproces heeft dan echter tot gevolg dat alle specifieke categorieën ambtenaren van mening zijn dat zij recht hebben op extra geld. Dit heeft – met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid - tot gevolg dat de algemene afspraken worden versoberd en alle specifieke categorieën een zelfde hoeveelheid geld ‘extra’ toebedeeld krijgen.
    Per saldo is de totale financiële ruimte ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden dan hetzelfde als nu, maar wordt de Bijzondere Positie van de militair door de militair zelf, ten koste van de eigen loonsverhoging, gefinancierd.
    De GOV|MHB heeft er om die reden dan ook geen probleem mee dat de Bijzondere Positie van de militair niet wordt benoemd in het bovensectorale loonakkoord. Dit onderwerp zal op de overlegtafel van de sector Defensie worden geadresseerd.

     

    3. Wat is het gevolg van dit bovensectorale loonakkoord voor de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen die nu bezig zijn bij Defensie?
    De druk om op korte termijn tot afspraken te komen is met dit loonakkoord afgenomen, als het aan de GOV|MHB ligt.
    In het huidige arbeidsvoorwaardenoverleg binnen de sector Defensie is de GOV|MHB er altijd vanuit gegaan dat tegenover de gemaakte afspraken over (o.a.) het wijzigen van de UGM, het aanpassen van het FPS, e.d. een loonsverhoging moet staan.
    Met dit bovensectorale loonakkoord is, volgens het Kabinet, echter alle loonruimte voor 2015 en 2016 opgesoupeerd. De minister van Defensie heeft dus geen geld meer beschikbaar om de loonsverhoging die tegenover de voornoemde wijzigen dient te staan te financieren. Tenzij de minister extra geld weet los te krijgen bij het Kabinet.

     

    4. Dit loonakkoord is toch niets meer dan een sigaar uit eigen doos?
    De GOV|MHB ziet dit niet zo.
    Voor de GOV|MHB betekent ‘een sigaar uit eigen doos’ dat de individuele militair of burgermedewerker geld al kreeg, maar dat door de nu gemaakte afspraken het geld nu slechts op een andere manier wordt verkregen.
    De GOV|MHB is van mening dat slechts 1,0% van de totale 5,05% kan worden gezien als ‘een sigaar uit eigen doos’, maar dan nog met een aantekening.

    Een toelichting:
    - 2,85% van de loonsverhoging betreft extra geld van het Kabinet.
    - 0,8% van de loonsverhoging – de GOV|MHB prefereert hierbij de term inkomensontwikkeling – komt voort uit een wetswijziging. Een wetswijziging die geld voor alle werkenden in Nederland. Dus niet alleen de ambtenaren.
    Dit geld werd in het verleden door Defensie al uitgegeven aan de individuele defensiemedewerker. Door de wetswijziging was deze defensiemedewerker dit geld echter kwijt.
    Afgesproken is dat dit geld toch weer aan de defensiemedewerker toekomt.
    (Dit betreft de 0,8% die in juni, met terugwerkende kracht tot 01-01-2015, is uitgekeerd.)
    - 0,4% van de inkomensontwikkeling betreft het niet betalen van de herstelpremie voor ABP pensioenfond. Dit geld zou in de grote ‘geldpot’ van ABP terechtkomen voor verbetering van de dekkingsgraad. Dit geld was dus niet bestemd voor de individuele defensiemedewerker.
    Het effect van deze herstelpremie op de dekkingsgraad is echter zo minimaal - 1,0% herstelpremie levert slechts 0,1% verbetering van de dekkingsgraad - dat dit niet het verschil maakt tussen wel of niet indexeren van de pensioenen. (Voor de beeldvorming: de dekkingsgraad van ABP bedraagt op 17 juli 102% en moet 130% bedragen om over te mogen gaan tot (prijs)indexatie).
    - 1,0% van de inkomensontwikkeling betreft de ruimte die ontstaat doordat bij de indexering van de pensioenen voortaan wordt uitgegaan van prijsindexatie i.p.v. loonindexatie. Dit is dus een vrijval van pensioenpremie die oorspronkelijk bedoeld is voor de individuele defensiemedewerker.
    De aantekening: Deze verandering van indexatie heeft slechts effect wanneer er sprake is van indexatie. ABP heeft m.i.v. 2010 de pensioenen niet kunnen/mogen indexeren. Ook heeft ABP eind 2014 aangegeven de pensioenen de komende 10 jaar zeker niet te indexeren. Deze aanpassing heeft dus – uitgaande van ABP – de komende 10 jaar geen effect op de pensioenopbouw.
    Daarbij komt dat in het loonakkoord staat opgenomen dat een terugkeer naar loonindexatie - in open en reëel overleg – mogelijk blijft. (Tegen die tijd wel ten koste van arbeidsvoorwaardengeld.)
    - Door de inkomensontwikkeling van 5,05% stijgt echter wel de pensioengrondslag – het bedrag waarover pensioen wordt opgebouwd, met als gevolg dat er een verhoogde pensioenopbouw plaatsvindt.

     

    5. Wat betekent dit loonakkoord voor mijn pensioen?
    Pensioenen kennen een eigen dynamiek die los staat van loonsverhogingen voor actief dienenden. Een stijging van de pensioenen is afhankelijk van de dekkingsgraad van het pensioenfonds (ABP). Deze dekkingsgraad is voornamelijk afhankelijk van de rentestand en het rendement op beleggingen van ABP.
    Het loonakkoord heeft de eerstkomende jaren indirect ook geen invloed op de pensioenen. (Zie de derde en vierde bullet onder vraag 4.)
    Of het loonakkoord na deze jaren wel invloed heeft is afhankelijk van een groot aantal zaken:
    - Hoe ziet het pensioenstelsel er tegen die tijd uit? Een van de afspraken in het eerste deelakkoord voor de sector Defensie is dat het militaire pensioenstelsel wordt aangepast. Ook Staatssecretaris Kleinsma heeft aangekondigd het Nederlandse pensioenstelsel in 2020 te willen aanpassen;
    - Mag er tegen die tijd wel geïndexeerd worden? Hierbij geldt – op basis van de huidige regels – dat er bij gebruikmaking van prijsindexatie eerder tot indexatie mag worden overgegaan dan bij loonindexatie;
    - Is er tot die tijd sprake van een grotere loonstijging dan prijsstijging (inflatie)? Indien dit niet het geval is, dan hebben de huidige afspraken geen (negatieve) invloed op de hoogte van de pensioenen;
    - Wordt tegen die tijd, indien noodzakelijk, overeengekomen om terug te gaan van prijsindexatie naar loonindexatie?
    Hoewel resultaten uit het verleden geen garanties voor de toekomst bieden, heeft de GOV|MHB op dit moment dan ook geen reden om te denken dat dit loonakkoord negatieve gevolgen zal hebben voor de pensioenen. Mochten er op de middellange termijn indicaties zijn dat negatieve effecten toch aanstaande zijn, dan is de GOV|MHB van mening dat er dan voldoende tijd is om – in overleg met de sociale partners – maatregelen te treffen.

     

    6. Wat zie ik van dit loonakkoord terug in mijn UGM?
    De afspraken in dit loonakkoord moeten eerst nog vertaald worden in een arbeidsvoorwaardenakkoord voor de sector Defensie. (Zie vraag 1.)
    In een arbeidsvoorwaardenakkoord voor de sector defensie is het tot op heden gebruikelijk dat loonsverhogingen voor het actief dienende personeel worden door vertaald in de UGM. De GOV|MHB ziet geen enkele reden om aan te nemen dat dit nu niet het geval zal zijn.

  • Leden drie Centrales voor Overheidspersoneel stemmen in met loonruimteovereenkomst

    De leden van Centrales voor Overheidspersoneel CCOOP (waaronder CNV Overheid, CNV Onderwijs & ACOM), Ambtenarencentrum (AC) en Centrale voor Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid en bedrijfsleven (CMHF) hebben ingestemd met de loonruimteovereenkomst publieke sector 2015/2016.

    Uit de ledenraadpleging van afgelopen weken blijkt vandaag dat een ruime meerderheid akkoord gaat met de bovensectorale overeenkomst. Daarmee komt een einde aan de jarenlange nullijn in grote delen van de publieke sector. Honderdduizenden medewerkers krijgen in 2015 en 2016 een loonsverhoging van 5,05 procent plus eenmalig 500 euro bruto.

     

    De drie Centrales sloten op vrijdag 10 juli een loonruimteovereenkomst met de betrokken overheids- en onderwijswerkgevers. CNV Overheid, CNV Onderwijs, ACOM, AC en CMHF vormen een ruime én rechtsgeldige meerderheid. De bij de Centrales aangesloten politiebonden hebben echter niet ingestemd met de overeenkomst.

     

    De loonruimteovereenkomst is de basis voor de nadere uitwerking in verschillende sectoren, waar komende weken het arbeidsvoorwaardenoverleg wordt gevoerd om de loonruimteovereenkomst te laten doorwerken in de arbeidsvoorwaarden binnen de verschillende sectoren.

  • Loonakkoord en pensioenen

    Bij onze leden rijzen vragen naar aanleiding van het rumoer dat is ontstaan over het ‘Loonakkoord’ en de gevolgen hiervan voor de pensioenen. De media melden dat het ‘Loonakkoord’ op losse schroeven staat en de FNV – tegenstander van het ‘Loonakkoord’ - is een enquête begonnen onder ABP deelnemers.

     

    Ondanks de tegenwerking van de FNV wordt het ‘Loonakkoord’ uitgevoerd. In oktober, deze maand, wordt o.a. de 500 euro uitbetaald aan alle Defensie medewerkers. De enquête van de FNV is ingevuld door 44.000 van de 2,8 miljoen deelnemers aan het ABP. Dat is ruim 1,5% van de deelnemers ABP. Hiervan was 80% het eens met de stellingen van de FNV. Breed leeft de mening dat op basis van deze deelname het ‘Loonakkoord’ terecht wordt uitgevoerd.

     

    Gevolgen ‘Loonakkoord’ voor het pensioen van de gepensioneerden

    Een aantal overwegingen:
    - Daling van de rentestand met 0,5 % betekent een verlaging van de dekkingsgraad van het ABP met ongeveer 6%.
    - De financiële markten zijn o.a. door de onrust in China gedaald. Een vermindering van het rendement op beleggingen van 1% kost 1% dekkingsgraad.
    - Door het loonakkoord wordt er 3% pensioenpremie minder ingelegd. Dit leidt tot 0,3% vermindering van de dekkingsgraad.

     

    Conclusie: het ‘Loonakkoord’ heeft invloed op de dekkingsgraad. Maar het is de rekenrente en in mindere mate de winst op beleggingen die de echte stempel drukken op de hoogte van de dekkingsgraad.

     

    Gevolgen ‘Loonakkoord’ voor actief dienende en met name de jongeren
    Een goed pensioen is essentieel om ook straks nog van het leven te kunnen genieten. Het tijdstip waarop men met pensioen gaat wordt later, maar de gemiddelde duur van de periode van pensionering blijft gelijk (21 jaar). Door de zéér lage rente, de slechte beleggingsresultaten én in zeer beperkte mate het ‘Loonakkoord’ bestaat er een aanzienlijke kans dat, vooral door de jongeren, naar de toekomst toe minder pensioen wordt opgebouwd.

     

    Loonakkoord wordt uitgevoerd
    In de discussie spelen vele onduidelijkheden, maar duidelijk is wel dat het ‘Loonakkoord’ staat en zal worden uitgevoerd. Dat is met Defensie al vastgelegd in een aparte uitvoeringsovereenkomst voor de jaren 2015 en 2016. De eerste betalingen op basis van de overeenkomst zijn in oktober 2015 al gedaan.

    Daling pensioenpremies?
    Maar wat dan met de pensioenen? In september is de dekkingsgraad flink gedaald door een lagere rente en flink lagere aandelenkoersen. Dat is de werkelijke reden voor alle commotie. Dat als gevolg van het loonakkoord de dekkingsgraad daalt, omdat daarin ook een daling van de pensioenpremie is meegenomen is ook waar, maar alles wel graag in de juiste verhoudingen.

    De dekkingsgraad daalt met 6% als de rekenrente met 1% daalt. In september daalde rente behoorlijk. De dekkingsgraad daalt verder met 0,3% door de premieverlaging met 3% uit het loonakkoord. Niet veel aan de hand met het laatste zou je denken.

     

    Herstelplan ABP
    Er is echter een maar en dat is het feit dat het ABP, vanwege de reeds langdurige lage dekkingsgraad, van de toezichthouder DNB de opdracht heeft gekregen om vóór 1 juli 2015 een herstelplan op te stellen om binnen een periode van 11 jaar (gerekend m.i.v. 2016) weer terug te zijn op een dekkingsgraad waarbij volledige indexatie mogelijk is, d.w.z. 128%.

     

    Dat herstelplan, dat in augustus 2015 is goedgekeurd door DNB, is gebaseerd op de kengetallen van het eerste halfjaar van 2015. DNB maakte bij goedkeuring al kritische opmerkingen over de financiële positie van ABP en de haalbaarheid van het herstelplan. Toen kwam de maand september waarin de rente en aandelenkoersen ineens wegzakten en de paniek toesloeg.

     

    Signaal ABP-bestuur
    Het ABP-bestuur stelde vervolgens een notitie op waaruit blijkt dat het herstelplan door een herberekening op basis van de dekkingsgraad van dat moment net niet meer haalbaar is. Daar waar op korte termijn de lagere dekkingsgraad geen kwaad aanricht, blijkt uit het herstelplan dat op de lange termijn, uitgaande van de lage dekkingsgraad van dat moment, het fonds wel in de problemen komt. Het loonakkoord speelt op basis van de rekenmodellen ook een kleine rol. Als gevolg van het akkoord daalt de kans op indexatie licht en de kans op afstempeling stijgt licht.

     

    Reactie FNV
    Vervolgens haalde de FNV, die zich eerder tegen het ‘Loonakkoord’ had gekeerd, de voorpagina’s door juist de pensioenparagraaf uit het ‘Loonakkoord’ naar voren te halen als de grote boosdoener. Ja, het loonakkoord speelt ook mee, maar dan wel in een beperkte rol en pas op de lange termijn. En daar zit de crux van de zaak. Wie kan immers over een langere periode voorspellen wat de rente en de aandelenkoersen, die een veel doorslaggevender rol spelen, gaan doen?

     

    Visie GOV|MHB
    De GOV|MHB deelt de zorgen over de ABP pensioenen en meer in het algemeen over het pensioenstelsel in Nederland. Een grijs pensioenfonds als het ABP is al enkele jaren sterk afhankelijk van de ontwikkelingen op de financiële markten. Op korte termijn is een stijging van de premie echter wel de oplossing om binnen de (tijds)grenzen van het herstelplan te blijven. De kosten van een eventuele premieverhoging zal in 2105 en 2016 door het kabinet betaald moeten worden. De CAO voor deze periode ligt vast.

     

    Op de lange termijn moet het herstel van de financiële markten komen. Zoals pensioenfondsen op dit moment bij wet verplicht zijn gefinancierd, het nominale stelsel, is het zekerheid zoeken in een onzekere wereld en dat is een peperdure aangelegenheid. Die zekerheid vertaalt zich in hoge dekkingsgraden van hoge buffers en een lange periode van niet indexeren. De GOV|MHB richt zich op een zgn. reëel stelsel, waarin door het verminderen van de zekerheden en de hoge buffers en door beleggingen met een tijdshorizon aangepast aan de (zeer) langlopende betalingsverplichtingen, de pensioenen weliswaar per jaar licht kunnen fluctueren, maar veel eerder kunnen worden geïndexeerd. Bovendien moeten de opgebouwde pensioenrechten in individuele pensioenpotten aan de persoon toegerekend kunnen worden, maar wel met behoud van de door ons gewenste solidariteit tussen de deelnemers.

     

     

     

  • Loonsverhoging ambtenaren gefinancierd uit de pensioenen?

    Er zijn veel vragen over de wijze waarop de loonsverhoging van 5,05% in het bovensectorale akkoord wordt gefinancierd. Niet in het minst door de mediaberichtgeving dat de loonsverhoging zou worden betaald door een greep uit de (ABP) pensioenkas. Een uitleg:

     

    Extra geld
    Het Kabinet heeft geld vrijgemaakt voor het ophogen van de lonen van militairen, burgermedewerkers bij Defensie en andere (rijks)ambtenaren.
    Voor 2015 biedt dit de mogelijkheid voor een loonsverhoging van 1,25% per 1 september en een eenmalige bruto uitkering van € 500,-, eveneens in september.
    Voor 2016 biedt dit de mogelijkheid voor een loonsverhoging van 1,6% per 1 januari.

    Van de 5,05% loonsverhoging betreft 2,85% dus extra geld van het Kabinet.

     

    Pensioenen
    De financiering van de loonsverhoging ‘vanuit’ de pensioenen betreft het deel werkgeverspremies dat de overheidswerkgevers minder hoeven af te dragen aan ABP, als gevolg van een drietal maatregelen.

     

    1) Verlaging pensioenopbouw
    Het Kabinet heeft in 2014 besloten dat een hogere AOW-leeftijd betekent dat werknemers langer moeten doorwerken en daarom langer hun pensioen kunnen opbouwen.
    Om die reden heeft het Kabinet middels een aanpassing van de fiscale regels een lager fiscaal vrijgesteld opbouwpercentage voor de pensioenen afgedwongen. Dit staat bekend onder de naam ‘Witteveen II’.

    Door het opbouwpercentage te verlagen blijven de pensioenen over de langere opbouwperiode gelijk – langere opbouw betekent dus geen hoger pensioen -, maar wordt de jaarlijkse pensioenpremie lager. Hierdoor houden de overheidswerkgevers (en de werknemers) geld over. Het is dit geld – de vrijval van het werkgeversdeel van de pensioenpremies – wat terugvloeit naar de ambtenaren in de vorm van 0,8% inkomensontwikkeling. Hierover hebben de overheidswerkgevers en de Centrales al in november 2014 in de Pensioenkamer het ‘Pensioenakkoord’ gesloten.

     

    Voor o.a. militairen en burgermedewerkers bij Defensie geldt dat zij deze 0,8% inkomensontwikkeling in juni, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015, reeds hebben ontvangen.

     

    2) Herstelpremie
    Pensioenfondsen dienen jaarlijks te bezien of er voldoende ‘geld in kas’ is om de pensioenen, nu en in de toekomst, te kunnen uitbetalen. Hierbij wordt het aanwezige kapitaal (o.a.) afgezet tegen de langlopende betalingsverplichtingen. De verhouding heet de dekkingsgraad.
    Zo mag ABP de pensioenen pas volledig indexeren – volledig mee laten stijgen met de lonen - bij een dekkingsgraad van 135%.

     

    Ter illustratie: op de peildatum voor 2015 (1-10-2014) was de dekkingsgraad van ABP 102,3%. Dit komt voornamelijk door de zeer lage langlopende rente die op dit moment wordt gehanteerd voor de berekening van de langlopende betalingsverplichtingen.

     

    Wanneer de dekkingsgraad te laag is kan een pensioenfonds een extra premie heffen om daarmee de dekkingsgraad te verhogen: de herstelpremie.
    Voor ABP geldt daarbij dat een herstelpremie van 1,0%punt een verhoging van de dekkingsgraad oplevert van (slechts) 0,1%punt.
    Ter illustratie: een rentestijging van 1,0%punt levert een verhoging van de dekkingsgraad op van 12%punt.

     

    Vanwege de zeer geringe invloed van de herstelpremie op de dekkingsgraad van ABP is er in het bovensectorale akkoord besloten om tot 2021 deze herstelpremie niet meer te heffen.
    Tegelijkertijd is er ook besloten de vrijval van het werkgeversdeel van deze herstelpremie terug te laten vloeien naar de werknemers in de vorm van 0,4% inkomensontwikkeling.

     

    3) Indexatie
    Wanneer er sprake is van het indexeren van de pensioenen, dan kan dit op twee manieren geschieden:

    • Middels loonindexatie: de pensioenen stijgen mee met de gemiddelde loonstijging in dat jaar, van de deelnemers in het pensioenfonds;
    • Middels prijsindexatie: de pensioenen stijgen mee met de inflatie van het desbetreffende jaar.

    Afhankelijk van de gemiddelde loonstijging en de inflatie is de ene vorm gunstiger dan de andere.
    Voor beide vormen geldt dat hieraan specifieke rekenregels verbonden zijn. Rekenregels die ook de hoogte van de noodzakelijke pensioenpremie beïnvloeden. Door deze specifieke rekenregels komt de pensioenpremie voor het, in voorkomend geval), hanteren van de methode van loonindexatie hoger uit dan de methode van prijsindexatie.

     

    ABP hanteerde tot nu toe, in voorkomend geval, de methode van loonindexatie. In het bovensectorale akkoord is besloten om (tijdelijk, maar zonder vooraf afgesproken einddatum) per 1 januari 2016, in voorkomend geval, de methode van prijsindexatie te gaan hanteren. Hierbij is nadrukkelijk afgesproken dat een terugkeer naar de methode van loonindexatie nadrukkelijk wordt meegenomen in de komende discussie over het wijzigen van het pensioenstelsel (in 2020), zoals recentelijk aangekondigd door Staatssecretaris Klijnsma.
    Tegelijkertijd is er ook besloten de vrijval van het werkgeversdeel van de lagere pensioenpremie als gevolg van het, in voorkomend geval, hanteren van de methode van prijsindexatie terug te laten vloeien naar de werknemers in de vorm van 1,0% inkomensontwikkeling.

     

    Van de 5,05% loonsverhoging betreft 2,2% dus het terugvloeien van het werkgeversdeel van de pensioenpremie.

     

    GOV|MHB
    De GOV|MHB onderkent dat aan het laten vervallen van de herstelpremie én het overgaan van de methode loonindexatie naar prijsindexatie mogelijk risico’s zijn verbonden.
    Zo betekent het niet langer heffen van een herstelpremie dat het langer kan duren voordat de benodigde dekkingsgraad voor indexatie van de pensioenen wordt gehaald. ‘Kan duren’ omdat de invloed van de herstelpremie minimaal is t.o.v. de invloed van de rentestand. Gezien de loonruimte die het laten vervallen van de herstelpremie oplevert t.o.v. het effect van de herstelpremie op de dekkingsgraad van ABP, is deze maatregel voor de GOV|MHB zeker acceptabel.

     

    Over de keuze van het overstappen van de methodiek van loonindexatie naar prijsindexatie is de GOV|MHB wat minder enthousiast.
    De gevolgen op de lange termijn van deze keuze zijn namelijk lastig te voorspellen.
    Deze gevolgen zijn namelijk afhankelijk van een veelvoud van factoren, zoals:

    • Wat doen de lonen de komende jaren?
    • Wat doet de rente de komende jaren?
    • Wat doet de inflatie de komende jaren?

    Als de rente niet veel stijgt de komende jaren en de dekkingsgraad dus laag blijft, is er geen sprake van indexatie. En vloeit er dus, als gevolg van de nu gemaakte keuze, geen bloed.
    Als de rente wel behoorlijk stijgt de komende jaren (en als gevolg de inflatie), maar de loonstijging achter blijft bij de inflatie, dan is de nu gemaakte keuze een hele goede geweest.
    Als de rente behoorlijk stijgt de komende jaren maar de loonstijging de inflatie overstijgt, dan is de nu gemaakte keuze (achteraf gezien) een verkeerde.

     

    Hoewel het adagium ‘resultaten uit het verleden bieden geen garanties voor de toekomst’ natuurlijk altijd opgaat, kan het verleden wel als indicatie dienen. Een vergelijking van de loonindexatie versus de prijsindexatie over de afgelopen 15 jaar leert dat het verschil tussen die twee zeer beperkt is (geweest). Gezien de financiële toestand in de wereld, alsmede de acties van de afgelopen kabinetten op het gebied van lonen en pensioenen, heeft de GOV|MHB niet de indruk dat de lonen de aankomende jaren exorbitant zullen stijgen. Daarmee ligt het ook niet voor de hand dat er in de nabije toekomst een groot verschil gaat ontstaan tussen de loonindexatie en de prijsindexatie, ten gunste van de loonindexatie.

     

    Voor de GOV|MHB heeft uiteindelijk een combinatie van factoren de doorslag te geven:
    Het feit dat er zowel afspraken liggen om het militaire pensioenstelsel (2017), alsook het burgerlijk pensioenstelsel op korte termijn te wijzigen (2020) én in het bovensectorale akkoord is afgesproken dat bij deze laatste een terugkeer naar de methode van loonindexatie nadrukkelijk wordt meegenomen, maakt dat deze maatregel voor de GOV|MHB ook (enigszins) acceptabel is.

     

    Het bevreemdt de GOV|MHB dat de media spreken over een greep uit de (ABP) pensioenkas, als zou ABP met het huidige pensioenkapitaal de loonsverhoging financieren. Zoals hierboven beschreven is daar absoluut geen sprake van. Het huidige pensioenkapitaal binnen het private pensioenfonds ABP wordt niet gebruikt voor financiering van de loonsverhoging.
    De GOV|MHB betreurt het dan ook ten zeerste dat de media, door deze toonzetting, een verkeerd beeld schetst bij de (gewezen) ambtenaren.

     

  • Toelichting op loonsverhoging

    De CMHF, de overkoepelende overheidscentrale waarbij de KVMO is aangesloten, heeft vandaag een nieuwsbrief uitgebracht waarin de bovensectorale loonsverhoging voor alle ambtenaren nog eens wordt toegelicht.

     

     

    Lees hier de CMHF Nieuwsbrief van 18 augustus 2015>>

  • Uitvoeringsovereenkomst 'Loonakkoord' voor Defensie getekend

    Donderdagavond hebben Minister van Defensie Hennis-Plasschaert en de (vice-)voorzitters van drie van de vier Centrales van Overheidspersoneel de uitvoeringsovereenkomst getekend waarmee de beschikbare loonruimte, zoals benoemd in de bovensectorale loonruimteovereenkomst 2015-2016, voor de sector Defensie wordt verdeeld. Hiermee komt eindelijk een einde aan de nullijn.

     

    Met het tekenen van de uitvoeringsovereenkomst staat niets meer in de weg om tot uitbetaling over te gaan.
    Concreet betekent dit dat in oktober de actieve militair en burgermedewerker € 500,- bruto* én – met terugwerkende kracht tot 1 september – een structurele loonsverhoging van 1,25% tegemoet kan zien.
    Met ingang van 1 januari 2016 volgt er nogmaals een structurele loonsverhoging van 3,0%.

     

    Gewezen militairen en burgermedewerkers*
    Zoals gebruikelijk bij Defensie werken de eenmalige uitkering en de structurele loonsverhogingen door naar de gewezen militair en de gewezen ambtenaar, die op 1 september 2015 een wachtgelduitkering genoot én naar de gewezen militair die op 1 september 2015 een uitkering genoot op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen (UGM) én naar de gewezen ambtenaar die op 1 september 2015 een uitkering
    genoot op grond van het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie.

     

    * defensiemedewerkers die in deeltijd werk(t)en ontvangen een verhoudingsgewijs deel van deze € 500,-. Ouderschapsverlof wordt hierbij niet gezien als ‘deeltijd werken’.

     

    Reservisten
    Voor reservisten geldt dat de € 500,- in verhouding tot het aantal uren werkelijke dienst in 2015 wordt toegekend.
    Hiertoe worden het aantal uren dat de reservist in werkelijke dienst is geweest van 1 januari 2015 tot 1 september 2015 gedeeld door 1320 (het aantal uren dat een beroepsmilitair regulier maakt gedurende dezelfde periode).
    Vanwege het per individuele reservist moeten berekenen van de hoogte van de eenmalige uitkering zal de uitbetaling hiervan pas in november plaatsvinden.

     

     

  • Uitvoeringsovereenkomst loonruimte voor sector Defensie

    Defensie en de meerderheid van de Centrales van Overheidspersoneel hebben donderdag 10 september overeenstemming bereikt over de wijze waarop de loonruimte als gevolg van de bovensectorale loonruimteovereenkomst wordt verdeeld.
    Deze uitvoeringsovereenkomst moet nog worden bekrachtigd in het Sector Overleg Defensie.

     

    In de bovensectorale loonruimteovereenkomst is voorzien in een stijging van het primaire loon met 5,05%. De primaire salarisontwikkeling van 0,8%, ontstaan uit vrijval door de daling van de werkgeverspremie voor pensioenen in 2015, is al per 1 januari 2015 gerealiseerd.

     

    Na uren onderhandelen zijn Defensie en de meerderheid van de Centrales in de Werkgroep Arbeidsvoorwaarden overeen gekomen de resterende loonruimte in te zetten op de navolgende wijze:

    - 1.25% primaire loonsverhoging per 1 september 2015;
    - 3% primaire loonsverhoging met ingang van 1 januari 2016;
    - €500,- bruto eenmalig in oktober 2015.

     

    Voor de CMHF-sector Defensie was de belangrijkste reden om in te stemmen met deze verdeling de noodzaak om op korte termijn – na vele jaren nullijn – maandelijks meer geld in de portemonnee van de defensiemedewerkers te laten landen.

     

    Sector Overleg Defensie
    De uitvoeringsovereenkomst moet nog worden bekrachtigd in het Sector Overleg Defensie (SOD) – het hoogste overlegorgaan.

     

    De ACOP/FNV heeft als enige Centrale niet ingestemd met de beoogde uitvoering en heeft aangegeven deze in het Sector Overleg Defensie, voordat tot bekrachtiging wordt overgegaan, nogmaals aan de orde te willen stellen. De ACOP/FNV zal hiertoe – conform de afspraken zoals deze gelden voor open en reëel overleg binnen het Georganiseerd Overleg sector Defensie – in de gelegenheid worden gesteld.

     

    Mocht de ACOP/FNV het noodzakelijk achten om, na het aan de orde stellen van de uitvoeringsovereenkomst in het SOD, net als hun collega’s binnen de overlegsector Rijk, ook nog de stap te maken naar de Advies- & Arbitragecommissie, dan zal dat inhouden dat de bekrachtiging van de uitvoeringsovereenkomst zal worden vertraagd.
    In dat geval zullen de defensiemedewerkers nog veel langer moeten wachten op het einde van de nullijn.

     

    Lopende arbeidsvoorwaardenoverleg
    De nu overeengekomen uitvoeringsovereenkomst geeft uitsluitend weer hoe de beschikbare loonruimte zoals benoemd in de bovensectorale loonruimteovereenkomst 2015-2016 voor de sector Defensie wordt besteed.

     

    Defensie en de Centrales zullen het, in november 2014 gestarte, parallelle traject van arbeidsvoorwaardenoverleg, om te komen tot een volledig arbeidsvoorwaardenakkoord, continueren. De uitwerking van de afspraken uit het eerste deelakkoord zullen daar onderdeel van uit maken.

Verenigingen

logo KVMO DIAP

KVNRO

nov

Contact

Koninginnegracht 19
2514 AB Den Haag

070 - 383 95 04